Tegenwoordig doen er verschillende theorieën de ronde. En dit id vnl. daar waar het de zgn. “reuzen” in de Bijbel (Genesis 6) aangaat. Er zijn nl. verschillende bijbelverklaarders die over deze “reuzen” de volgende verklaring hebben gegeven; zij menen nl. dat die “reuzen” het product zouden zijn geweest van seksuele gemeenschap tussen gevallen engelen en de vrouwen van de volken die er in die tijd waren. Uit deze gemeenschap zouden afzichtelijke en lelijke schepsels voortgekomen zijn. En het gevolg van dit alles was dat de aarde in die nu ver vervolgen tijd vervuld werd met allerlei vormen van kwaad en slechtheid. Maar … wáren die “reuzen” wel die afschuwelijke monsters zoals sommige bijbelgeleerden die nu nóg als zodanig beschouwen? Om dit te kunnen weten, dienen we hier -uiteraard- de Bijbel zélf bij te nemen.

Genesis 6:1-8. 

We zullen hierbij beginnen bij Genesis 6:1-8 waarin we over die “reuzen” lezen:

“En het gebeurde, toen de mensen zich op de aardbodem begonnen te vermenigvuldigen en er dochters bij hen geboren werden, dat Gods zonen de dochters van de mensen zagen dat zij mooi waren, en zij namen zich vrouwen uit allen die zij uitgekozen hadden. Toen zei de HEERE: Mijn Geest zal niet voor eeuwig met de mens twisten, omdat hij ook vlees is, maar zijn dagen zullen honderdtwintig jaar zijn. In die dagen, en ook daarna, waren er reuzen op de aarde, toen Gods zonen bij de mensen waren gekomen en die kinderen voor hen baarden; dit zij de geweldenaars van oude tijden af, mannen van naam. En de HEERE zag dat de slechtheid van de mens op de aarde groot was, en dat al de gedachtenspinsels van zijn hart elke dag alleen maar slecht waren. Toen kreeg de HEERE en berouw over dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het bedroefde Hem in Zijn hart. En de HEERE zei: Ik zal de mens, die Ik geschapen heb, van de aardbodem verdelgen, van de mens tot het vee,, tot de kruipende dieren en de vogels in de lucht toe, want Ik heb er berouw over dat Ik hen gemaakt heb.. Maar Noach vond genade in de ogen van de HEERE.” 

Nu, waren die “reuzen” nu wérkelijk van die afzichtelijke schepsels vanwege de (vermeende) gemeenschap tussen die “gevallen engelen” en die dochters der mensen? Van de vetgedrukte verzen valt echter duidelijk af te leiden dat die “reuzen” er tijdens de (vermeende) gemeenschap tussen die engelen en dochters al aanwezig waren. Om die reden konden die dan ook nooit het product zijn geweest van die gemeenschap!

De Reuzen: “De Geweldenaars van Oude Tijden Af, Mannen van Naam.” 

Zoals we uit de bovenstaande verzen hebben weten vast te stellen, konden die reuzen zoals gezegd, nooit uit die unie tussen die “gevallen engelen” en die dochters. Maar wat waren die reuzen dan wél? En waar kwamen die dan vandaan? Het antwoord wordt volgens ons inziens gevonden in het geslachtsregister van Adam tot Noach. (Genesis 5). Het is daar waar we lezen dat het voorgeslacht van de mensheid in Genesis 6 mensen waren, die in die tijd een zeer hoge leeftijd bereikten. Over Adam (de eerste mens) en diens derde nakomeling, Seth, lezen we  er dit:

“Adam leefde honderddertig jaar, en verwekte een zoon naar zijn gelijkenis, naar zijn beeld; en hij gaf hem de naam Seth. Adams dagen waren, nadat hij Seth verwekt had, achthonderd jaar; en hij verwekte zonen en dochters. Al de dagen die Adam leefde, waren negenhonderddertig jaar; en hij stierf. Seth leefde honderdvijf jaar, en verwekte Enos. En Seth leefde, nadat hij Enos verwekt had, achthonderdzeven jaar; en hij verwekte zonen en dochters. Al de dagen van Seth waren negenhonderdtwaalf jaar; en hij stierf.” (verzen 3-8)

En ook de overige mensen in Genesis 5 bereikten een zeer hoge leeftijd. En hieruit weten we weer het volgende uit af te leiden: aangezien al deze genoemde mensen in Genesis 5 een zeer hoge leeftijd wisten te bereiken, volgt hier uit dat dit mensen van een grote gestalte moeten zijn geweest! Zouden we nu in staat zijn geweest om met een “tijdmachine” naar dit verre verleden terug te reizen, dan zouden we ons tussen hen als lilliputters hebben beschouwd! Het waren dan ook díe “reuzen”, waar Mozes (de auteur van het scheppingsverhaal en de rest in het boek Genesis) in zijn verslag naar verwezen heeft.

De Zonen van God als “Gevallen Engelen.” 

De volgende vraag die nu moet worden beantwoord, is deze: Waren die Zonen Gods waar we in Genesis 6 over lezen, werkelijk “gevallen engelen” (demonen) of waren die misschien gewoon mensen? Om toch te bewijzen dat deze zonen van God “gevallen engelen” zouden zijn geweest, grijpen verschillende bijbeluitleggers terug naar het bijbelboek, Job. Het verhaal in dit boek zal wel bekend zijn; Job, die in zijn tijd de rijkste en meest gerespecteerde man van het Oosten was, wordt later onder Gods toelating in het verderf gestort; na een lange periode van lijden en ellende brengt God echter een ommekeer in het lot van Job en wordt hij daarna dubbel zo door Hem gezegend als hij vóór zijn rampspoed geweest was. Nu, in zowel het eerste als het tweede hoofdstuk van het boek, Job, zien we dat de “zonen Gods” voor God kwamen en er zich opstelden:

“Op zekere dag nu kwamen de zonen Gods. om zich voor de HERE te stellen; en onder hen kwam ook de satan.” (Job 1:6 NBG-vertaling)

Hier gaat het betreffende die “zonen Gods” inderdaad over de engelen van God, dus kunnen dit geen mensen zijn geweest; aangezien ook nog de satan onder hen voor God verscheen, menen de genoemde uitleggers nu het bewijs te hebben: daar ook de satan onder die engelen was, is dit het absolute bewijs dat die “zonen Gods” uit Genesis 6 eveneens net zoals satan dat was, “gevallen engelen” moeten zijn geweest. Maar wat lezen we er nu wérkelijk? We lezen dat toen de engelen Gods voor God verschenen, apart van hen, ook de satan onder hen opdook en zich voor God opstelde. Dus die “zonen Gods” die die engelen ook waren, moeten apart van de satan worden gezien! Want de satan ( en zijn demonen) konden dan ook vanwege hun zonde van rebellie tegen God dan ook in tegenstelling met de “zuiver gebleven engelen”, niet langer als “zonen Gods” worden beschouwd. Om het eens als volgt te zeggen: satan was wel samen met de engelen Gods aanwezig voor God, maar hij maakte geen deel van hen uit. Dus moet die benaming in Genesis 6 slaan op een bepaalde groep mensen en niet op “gevallen engelen.”

Wie Waren Nu die “Zonen van God”? 

Nu de vraag: wie waren die “zonen van God” waarvan sommige bijbelverklaarders menen dat dit gevallen engelen geweest zouden zijn), nu wérkelijk? De vermaarde bijbelverklaarder, Matthew Henry, schreef in zijn “Verklaring van het Oude en Nieuwe Testament” (B. V. Uitgeverij de Banier-Utrecht) 1990), het volgende over die “zonen” als hij het over “Gemengde huwelijken” heeft:

“Gods zonen (dat zijn de belijders van de godsdienst), zagen de dochters der mensen aan, dat wil zeggen: zij die werelds waren en vervreemd van God en de godsvrucht. Het nageslacht van Seth hield zich niet afgezonderd, zoals het had moeten doen. Ze vermengden zich met het verbannen geslacht van Kaïn. Ze namen zich vrouwen ui allen die zij verkozen hadden. Maar wat was er nu verkeerd in deze huwelijken? Ze kozen slechts wat hun ogen zagen: dat ze schoon waren, en dat was alles waar ze naar keken. Ze volgden de keuze, die hun eigen verdorven gevoelens deden. Maar wat zo ‘n slecht gevolg daarvan voor henzelf bleek te zijn, was dat ze een ander juk aantrokken met de ongelovigen. De slechten zullen eerder de goeden bederven dan de goeden de slechten zullen veranderen.” (blz. 25)

Het gaat hier dus niet over de “zonen Gods” als gevallen engelen, maar eerder over twee verschillende bevolkingsgroepen, waarvan de één afgeweken was van God en Zijn geboden, en de ander (de nakomelingen van Seth) die hun wandel met God tot dan toe had bewaard, tot ook zíj de fout ingingen door de dochters van de Kaïnieten tot vrouw te nemen. En zo verliet ook het nageslacht van Seth net zoals de Kaïnieten eerder hadden gedaan, God en Diens geboden. En zo verviel de hele toen bekende mensheid tot slechtheid op enkele mensen na: Noach en zijn familie. Het was dus om die reden dat God uiteindelijk besloten had, de mensheid op Noach en zijn familie na, te verdelgen middels een wereldwijde vloed. Het waren zij, die in tegenstelling met de grote meerderheid hun wandel met God hadden weten te bewaren en daarom vond Noach genade in Gods ogen.

Nader Inzicht op de “Reuzen.” 

Nu zullen we wat nader op die “reuzen” van die tijd ingaan. En Matthew Henry (die we hier net hebben geciteerd), had er dit over geschreven:

“Een verder verslag van de verdorvenheid van de oude wereld. De verzoeking waaraan ze waren blootgesteld om te onderdrukken en gewelddaden te plegen. Zij waren reuzen en zij waren geweldigen. Met hun reuzengestalte als de zonen van Enak, Num. 13:33. Met hun grote naam, zoals de koning van Assyrië, Jes. 37:11. Zij die een zo grote macht over anderen hebben dat ze in staat zijn hen te onderdrukken, hebben zelden zoveel macht over zichzelf om niet te onderdrukken. De beschuldiging die tegen hen ingebracht en bewezen werd, vs 5. Waar had God nu aandacht aan geschonken? Hij bemerkte al die stromen van zonde, die voortstroomden in de levens van de mensen en de breedte en de diepte van die stromen. De onderdrukkers waren geweldigen, mannen van naam. En toen zag de HEERE, dat de boosheid van de mensen meningvuldig was. De boosheid van een volk is inderdaad groot, wanneer de grootste zondaars mannen van naam zijn onder hen. Boosheid is dán groot, wanneer grote mannen slecht zijn.” Idem)

Deze “reuzen” waren dan ook eigenlijk tirannen, die anderen onderdrukten en terroriseerden. Aldus vervielen ook de volken over wie zij heersten, tot dezélfde misdaden. En nadat er niets of niemand meer te onderdrukken was, was hun slechtheid volkomen. Het waren echter Noach  en diens familie die zich niet aan deze grote misdaden hadden overgegeven. En om die reden werden zij gered en de rest der mensheid door de wereldwijde vloed verzwolgen. De apostel, Petrus, schreef het volgende in zij Tweede Zendbrief:

“En als God de oude wereld niet gespaard heeft, maar het achttal van Noach, de prediker van de gerechtigheid, bewaard heeft, toen Hij de zondvloed over de wereld van de goddelozen bracht.” (2 Petrus 2:5)

Noach wordt hier “de prediker van de gerechtigheid” genoemd. En dit wil zeggen dat hij zijn goddeloze tijdgenoten in die tijd gewaarschuwd had voor het komende oordeel Gods. Het verhaal gaat dat hij dit voor circa 125 jaar zou hebben gedaan. Verder wordt er beweerd dat toen Noach en zijn zonen aan de bouw van de ark bezig was, de mensen hen bespotten en verachten. Een komend oordeel Gods in de vorm van een wereldwijde vloed zoals Noach al zolang beweert? Onmogelijk! In die tijd was er nog geen spraken van “regen”; de aardbodem werd tot aan de vloed toe bevochtigd door een damp die uit de aarde opsteeg. (Genesis 2:4-6) Dus ook Noach en zijn familie zullen hun deel aan onderdrukking en terreur van die inmiddels verdorven “reuzen” hebben ontvangen totdat zij door God via de ark werden gered terwijl de rest van de verdorven mensheid door de vloed omkwam.

Lukas 17: en Zoals het Gebeurde in de Dagen van Noach…”

Nu zijn er, die menen dat een dergelijke gebeurtenis waarbij gevallen engelen via een huwelijk met vrouwen waaruit volgens hen die “groteske schepsels” uit voortgekomen zouden zijn, weer ergens in de Eindtijd plaats zal gaan vinden. Zij verwijzen hier dan naar Lukas 17:26-27, waar we er dit lezen:

“En zoals het gebeurde in de dagen van Noach. zo zal het ook zijn in de dagen van de Zoon des mensen. Zij aten, zij dronken, zij namen ten huwelijk en zij werden ten huwelijk gegeven tot op de dag waarop Noach de ark binnenging en de zondvloed kwam en hen allen om deed komen.” 

Alleen al omdat hier over “de dagen van Noach” gesproken wordt, is voor hen die de “gevallen engelen & vrouwen-theologie” aanhangen al voldoende bewijs dat het hier gaat om een huwelijk tussen gevallen engelen (demonen) en vrouwen in die verre tijd. En dit, zo redeneren zij, zou dan een herhaling worden “in de dagen van de Zoon des mensen.” Allereerst is hier niets van een vermeend huwelijk tussen gevallen engelen en vrouwen te bekennen. Als we dan ook nog een de verzen daarná lezen, wordt het duidelijk waar het hier wérkelijk om gaat:

“Op dezelfde manier ook, zoals het gebeurde in de dagen van Lot: zij aten, zij dronken, zij kochten, zij verkochten, zij plantten, zij bouwden. Op de dag echter waarop Lot uit Sodom wegging, regende het vuur en zwavel uit de hemel en bracht hen allen om. Evenzo zal het zijn op de dag waarop de Zoon des mensen geopenbaard zal worden.” (verzen 28-30)

Zagen we bij hetgeen Jezus over de tijd van Noach zei, al niets over die gevallen engelen en een huwelijk met vrouwen, in wat Hij over de tijd van Lot zei, zijn zij al helemáál afwezig! En ook in de geschiedenis van de aankondiging door God aan Abraham dat Hij  Sodom en Gomorra zou verwoesten en de verwoesting van die steden zelf (Genesis 18 en 19:1-29), lezen we niets over die engelen en vrouwen die een huwelijksverbond met elkaar aangegaan zouden hebben. Welnu, waar gaat het hier dan wél om? Het gaat hier over het feit dat net zoals de mensheid ten tijde van zowel Noach als Lot, terwijl het oordeel Gods aanstaande was, slechts erin geïnteresseerd was te eten, te drinken, te huwen, uit te huwen, te bouwen te bebouwen etc. En dit, zo maakte Jezus veel later met die twee voorbeelden duidelijk, zal ook weer zo zijn vlak voor de Tweede Komst van Christus, wanneer Hij voor eenieder zal worden geopenbaard. Men zal er gewoon niet in geïnteresseerd zijn of Jezus nu wél of níet terug zal keren. Daar de wereld in die tijd volkomen goddeloos zal zijn, zal Zijn Tweede Komst echter een godsoordeel met zich meebrengen. En zo zullen allen die een goddeloos leven zullen leiden, hierdoor worden omgebracht, net zoals dit gebeurde met de mensheid ten tijde van Noach en Lot!

“Denk aan de Vrouw van Lot.”

Jezus had echter ook iets te zeggen over wat de vrouw van Lot overkwam. Als we hier alleen het verslag van in Genesis over lezen, krijgen we de indruk dat toe Lot en zijn vrouw uit Sodom wegtrokken, zijn vrouw tijdens hun vlucht nog even omkeek naar de stad en zodoende in een zoutpilaar zou zijn veranderd. De engelen van God die Lot, zijn vrouw en beide dochters uitgeleide uit de stad deed, vermaanden hen sterk om niet om te kijken en om niet stil te blijven staan tijdens hun vlucht. (Genesis 19:17) Lot echter, deed dit niet en hem bleef eenzelfde lot bespaard. Zo wordt dit ook nu nog in verschillende boeken die over die geschiedenis gaan, zo weergegeven: Lot’s vrouw keek op een afstand om naar Sodom en werd alzo een zoutpilaar; Lot zelf deed dit echter niet en wist heelhuids te ontkomen. Jezus vertelde hier echter in verband met Zijn Tweede Komst nog het volgende over:

“Wie op die dag op het dak zal zijn, met zijn huisraad in huis, moet niet naar beneden gaan om het mee te nemen. En wie op de akker is, moet evenmin terugkeren naar wat hij achterliet. Denk aan de vrouw van Lot.” (verzen 31-32)

En hier wordt het duidelijk: de vrouw van Lot keek niet slechts achterom naar Sodom terwijl zij en haar man op de vlucht om aan het godsoordeel over Sodom te ontkomen; zij keerde ook nog eens terug naar de stad, naar hun huis om er aan bezittingen te redden wat er nog van te redden zou zijn; aldus kwam het oordeel niet slechts over de goddeloze inwoners van die stad, maar kwam zij zelf hier ook bij om! Het verhaal dat zij op een afstand omkeek naar de stad en vervolgens in een zoutpilaar zou zijn veranderd, is dan ook niets anders dan een verzinsel! En wat die “Reuzen” betreft,  we zien dat die “reuzen” overeenkomstig het bijbels verslag werkelijk bestaan hebben, maar dit waren niet die “afschuwelijke schepsels” die het product zouden zijn geweest van een huwelijk tussen gevallen engelen en de “dochters der mensen”! En tenslotte nog dit: wát Jezus met deze twee historische gebeurtenissen aangaande Noach en Lot duidelijk wilde maken, is dat wij allen nuchter een waakzaam zullen moeten zijn. Want ook nu, leven we in een tijd waar het in deze dan over de naderende Tweede Komst van Christus gaat, het overgrote deel der mensheid maar weinig is geïnteresseerd in Zijn Komst (die vergezeld zal gaan met een godsoordeel). Zij echter, de Christenen die al nuchter en waakzaam zijnde, uitzien naar Zijn terugkeer, zullen aan dit oordeel ontkomen terwijl de rest, net zoals dit het geval was met de mensheid in de dagen van Noach en Lot, hierbij om zullen komen. 

 

Ton Nuiten – Donderdag 29 Augustus 2019.