De zogenaamde vervangingsleer; hier is al voor lange tijd nogal wat om te doen geweest. En vandaag de dag gaan de discussies hieromtrent nog voort. Waarschijnlijk is het het meest vreselijke wat je tegen Christenen die Israël bovenmate liefhebben (voornamelijk christenzionisten die een welhaast fanatieke voorliefde voor Israël vertonen) kunt zeggen, is dat als zou de Kerk, de Gemeente van Christus Israël als de uitverkorene van God zou hebben vervangen. Ofwel, die zou in de plaats van Israël gekomen zijn.
Jezus & Zijn Parabel Ofwel “De Gelijkenis Van de Onrechtvaardige Pachters.”
Maar wat leert nu de Bijbel? Vele Christenen gaan hoofzakelijk (zo niet alleen) op boeken en/of artikelen af die door voornamelijk christenzionisten geschreven zijn. Hierin wordt de vervangingsleer volkomen verfoeid en er zijn er zelfs die ervan overtuigd zijn dat die leer aan “antisemitisme” zou grenzen. Degenen die deze boeken/artikelen lezen, namen de overtuiging van wat er over geschreven staat, zonder omhaal en kritiekloos over en sommigen van hen verkondigden die dan weer aan anderen. Die anderen namen dit alles weer, zonder er eens (kritisch) onderzoek naar te doen, over en vertelden er op hun beurt weer anderen over. Dit is zo doorgegaan totdat dat wat zij geloofden, intussen doorgedrongen is in verschillende kerken. Om nu te weten of die vervangingsleer nu op waarheid berust of niet, zullen we om dit vast te stellen, ergens in de Bijbel moeten beginnen. En het zou dan ook goed zijn om hiermee eens bij de bekende parabel van Jezus ofwel “De gelijkenis van de onrechtvaardige pachters” in Mattheüs 21 te beginnen. Dit was een van de gelijkenissen die Jezus tegen de overpriesters en de Farizeeën vertelde. We beginnen bij vers 33:
“33 Hoort een andere gelijkenis. Er was een heer des huizes, die een wijngaard plantte, en er een heg omheen zette, en er een wijnpers on groef en een toren bouwde; en hij verhuurde dien aan pachters en ging buitenslands. 34 Toen nu de tijd der vruchten naderde, zond hij zijn slaven naar die pachters om zijn vruchten in ontvangst te nemen. 35 Maar de pachters grepen zijn slaven, sloegen den enen, doodden den anderen en stenigden een derden. 36 Hij zond weder andere slaven, nog meer dan eerst, en zij behandelden hen op dezelfde wijze. 37 Ten laatste zond hij zijn zoon tot hen, zeggende: Mijn zoon zullen zij ontzien. 38 Maar toen de pachters den zoon zagen, zeiden zij tot elkander: Dit is de erfgenaam, komt. late wij hem doden om zijn erfenis aan ons te brengen. 39 En zij grepen hem en wierpen hem buiten den wijngaard en doodden hem. 40 Wanneer nu de heer van den wijngaard komt, wat zal hij met die pachters doen? 41 Zij zeiden tot Hem: Een kwaden dood zal hij dien kwaden doen sterven en den wijngaard zal hij verhuren aan andere pachters, die hem de vruchten op tijd zullen afleveren. 42 Jezus zeide tot hen: Hebt gij nooit gelezen in de Schriften: De steen, dien den bouwlieden, deze is tot een hoeksteen geworden; van den Here is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen? 43 Daarom, Ik zeg u, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden en het zal gegeven worden aan een volk dat de vruchten daarvan opbrengt. 44 En wie op dezen steen valt, zal verpletterd worden, en op wien hij valt, dien zal hij vermorzelen. 45 En toen de overpriesters en de Farizeeën zijn gelijkenissen hadden gehoord, begrepen zij, dat Hij hen bedoelde. 46 En hoewel zij Hem trachtten te grijpen, vreesden zij de scharen, daar die Hem voor een profeet hielden.”
De Houding van Israël Tegenover de Profeten God in de Tijd van Vóór de Babylonische Ballingschap.
In deze gelijkenis van Jezus vertegenwoordigden de pachters het oude volk Israël; de slaven waren een beeld van de profeten Gods. Jezus maakte de overpriesters en de Farizeeën zo duidelijk dat Israël en zij de profeten Gods al die tijd weerstaan hadden. De zoon waarover Jezus sprak, was een beeld van Hemzelf en de heer des huizes vertegenwoordigde God de Vader Zelf. Dat het oude Israël de profeten Gods al veel eerder had weerstaan, lezen we elders, in het Oude Testament, en wel enige tijd vóór de Babylonische Ballingschap. In het Bijbelboek 2 Kronieken 36 lezen we namelijk dat Zedekia, die tot dan toe de laatste koning van Juda zou zijn, zich weigerde te verootmoedigen “voor den profeet, die in opdracht van den Here sprak.” Ook de leiders, de priesters en het volk weigerden tot inkeer te komen en pleegden ontrouw aan God door de gruwelijke gewoonten der heidenvolken rondom hen over te nemen om die te doen. (verzen 11-14) In die tijd had Nebukadnezar, de koning van Babel, al de heerschappij over Israël daar de hij Zedekia in de plaats van Jojachin had aangesteld. Daarvoor had Egypte er enige tijd de heerschappij over Israël gehad. (verzen 3-10) We beginnen hier vanaf vers 15:
“De Here, de God hunner vaderen, zond wel zijn boden tot hen, vroeg en laat, want Hij ontfermde zich over zijn volk en zijn woning, maar zij bespotten de boden Gods, verachtten zijn woorden en hoonden zijn profeten, totdat de gramschap des Heren zich zozeer tegen zijn volk verhief, dat geen herstel meer mogelijk was. Hij deed den koning der Chaldeeën tegen hen optrekken, deze doodde hun jongelingen met het zwaard in hun heiligdom, en hij spaarde jongeling noch maagd, oude noch grijsaard.; alles gaf Hij in zijn macht. Al het gerei van het huis Gods, het grote en het kleine, de schatten van het huis des Heren en de schatten van den koning en van zijn vorsten, alles bracht hij naar Babel. Zij verbrandden het huis Gods en braken den muur van Jerizalem af; al zijn paleizen verbrandden zij met vuur en alle kostbaarheden vernietigden zij. Ook voerde hij hen die aan het zwaard ontkomen waren, naar Babel, en zij werden hem en zijn zonen tot slaven, totdat het koninkrijk van Perzië de heerschappij verkreeg; – om het woord des Heren, door Jeremia verkondigd, in vervulling te doen gaan: totdat het land zijn sabbatsjaren vergoed gekregen heeft. Al de dagen die het woest lag, heeft het gerust, om zeventig jaar vol te maken.” (verzen 15-21) En in de daaropvolgende verzen 22-23 lezen we dat de koning van Perzië Israël toestemming gaf om overeenkomstig het bevel Gods weer naar het land terug te keren en Jeruzalem en de tempel te herbouwen.
De Woorden van God Door de Profeet Mozes.
Dan gaan we hiermee naar het Bijbelboek Leviticus. Tijdens de reis door de woestijn naar het land had Mozes, de aanvoerder van Israël en de profeet van God het volk onder meer zowel de zegen als de vloek voorgehouden: zegen bij gehorzaamheid aan God (Leviticus 26:1-13), rampen, grote tegenslagen en verdrukking bij (langdurige) ongehoorzaamheid aan God. (Leviticus 26:14-46) Toen al had God door Mozes geprofeteerd dat als het volk Israël God geduriglijk ongehoorzaam zou zijn, dat het dan ooit eens in ballingschap zou gaan, Eenmaal in den vreemde zou het dan wegkwijnen. Maar ook dan was alle hoop nog niet verloren:
“Maar belijden zij dan hun ongerechtigheid en die hunner vaderen, in de ontrouw waarmede zij tegen Mij ontrouw zijn geweest, en ook dat zij zich tegen Mij verzet hebben, – ook Ik verzette mij tegen hen en bracht hen in het land hunner vijanden – of vernedert zich dan hun onbesneden hart en boeten zij dan hun ongerechtigheid, dan zal Ik ik mijn verbond met Jakob gedenken; ook mijn verbond met Isaäk en ook mijn verbond met Abraham zal Ik gedenken, en Ik zal het land gedenken. Maar het land zal door hen verlaten worden en het zal zijn sabbatsjaren vergoed krijgen, terwijl het verwoest ligt zonder hen, en zij zullen hun ongerechtigheid boeten, omdat, ja, omdat zij mijn verordeningen versmaadden en van mijn inzettingen een afkeer hadden.” (verzen 40-43)
Eerst Belijdenis van Zonden & Bekering. Daarna Terugkeer naar het Land.
En deze profetie over de toen nog toekomstige ballingschap is zoals we in 2 Kronieken 36 gezien hebben, volkomen in vervulling gegaan. We hebben ook gezien dat er eens een einde aan de ballingschap in Babel zou komen; uiteindelijk zou Kores, de Koning van Perzië het volk Israël in opdracht van God toestemming geven naar het land terug te keren. Welnu, uit de verzen in Leviticus die over de belijdenis van de ongerechtigheden van het volk spreken, kan hier alleen maar van worden afgeleid dat, vóórdat Kores zijn decreet tot toestemming voor de terugkeer naar het land, het volk eerst haar zonden beleden moet hebben en vervolgens weer tot bekering gekomen moet zijn! Daarna dan het decreet van Kores en daarna werd het volk onder leiding van de profeten Ezra en Nehemia naar het land geleid. Dit lezen we in de daaropvolgende Bijbelboeken Ezra en Nehemia. Zou het volk haar zonden niet hebben beleden, dan zou het waarschijnlijk in ballingschap gebleven zijn. Zover zou het echter niet komen: al tijdens de reis door de woestijn liet God door Mozes doorschemeren dat Hij al voorzien had dat het volk, intussen al enige tijd in den vreemde, hun zonden zou belijden!
Aanvulling van de Verzen 44-46.
Dan zullen we hier nog de verzen 44-46 uit Leviticus er bij aanvullen:
“Maar ook zelfs, wanneer zij in het land hunner vijanden zijn, versmaad Ik hen niet en heb Ik geen afkeer van hen, zodat Ik hen zou vernietigen en mijn verbond met hen verbreken: want Ik ben de Here, hun God. Maar Ik zal hun ten goede gedenken het verbond met hun voorvaderen, die Ik voor de ogen der volken uit het land Egypte heb geleid, om hun tot een God te zijn. Ik ben de Here. Dit zijn de inzettingen en verordeningen en wetten, die de Here gegeven heeft tussen Zich en de Israëlieten op de berg Sinaï, door den dienst van Mozes.”
Leviticus 26:30.
Dan gaan we in verband hiermee naar vers 30 van Leviticus 26:
“En uw hoogten zal Ik verwoesten en uw wierookaltaren uitroeien. Ik zal uw lijken werpen op de lijken uwer afgoden en Ik zal een afkeer van u hebben.”
Dit lijkt in tegenspraak te zijn met die verzen waarin God zegt dat als het volk Israël in den vreemde zou zijn, Hij hen niet zou versmaden en juist geen afkeer van hen zou hebben. Maar dit is niet zo; het zal misschien al wel duidelijk zijn dat nadat het volk in de vreemde eenmaal haar zonden zou hebben beleden en tot inkeer gekomen te zijn, God dan geen afkeer meer van hen zou hebben! Aldus zou God het verbond met de vaderen van het volk Israël hen ten goede gedenken.
Profetie over de Verwoesting van Jeruzalem.
Laten we nu terugkeren naar Mattheüs 21 waarbij we hier nu alleen de verzen 40-41 zullen citeren. Jezus vroeg aan de overpriesters en de Farizeeën: “Wanneer nu de heer van den wijngaard komt, wat zal hij met die pachters doen? Zij zeiden tot Hem: Een kwaden dood zal hij die kwaden doen sterven en den wijngaard zal hij verhuren aan andere pachters, die hem de vruchten op tijd zullen afleveren.”
Wat we hier zien, is dat de overpriesters en Farizeeën met hun antwoord op de vraag van Jezus er eigenlijk hun eigen ondergang meer voorzegd hadden (ook al beseften zij dit op dat moment niet!) Jezus liet dit al blijken tegenover Zijn discipelen:
“Em toen sommigen van den tempel zeiden, dat hij met schone stenen en wijgeschenken versierd was, sprak Hij: Wat gij daar aanschouwt – er zullen dagen komen, waarin geen steen op den anderen gelaten zal worden, die niet zal worden weggebroken.” (Lucas 20:5)
Dan gaan we hiermee een stuk vooruit en vervolgen we vanaf vers 20:
“Zodra gij nu Jeruzalem door legerkampen omsingeld ziet, weet dan, dat zijn verwoesting nabij is. Laten dan die in Judéa zijn, vluchten naar de bergen, en die binnen de stad zijn, de wijk nemen, en die op het land zijnm er niet binnengaan, want dit zijn de dagen van vergelding, waarin alles wat geschreven is, in vervulling gaat. Wee den zwangeren en den zogenden in die dagen! Want er zal grote nood zijn over het land en toorn over dit volk, en zij zullen vallen door de scherpte des zwaards en als gevangenen weggevoerd worden onder alle heidenen, en Jeruzalem zal door heidenen vertrapt worden totdat de tijden der heidenen zullen vervuld zijn.” (verzen 20-24)
Zo zien we dat het hier om de verwoesting van Jeruzalem ging.
Waarom Nu Die “Dagen van Vergelding” & “Toorn over dit Volk”?
De vraag nu is deze: waarom sprak Jezus over de verwoesting van Jeruzalem als de “Dagen van vergelding” en “toorn over dit volk”? Die vraag wordt beantwoord door de verzen 12-19 die er aan vooraf gaan:
“Maar vóór dit alles zullen zij de handen aan u slaan en u vervolgen, door u over te leveren in de synagogen en gevangenissen, en u voor stadhouders en koningen te leiden om mijn naams wil. Het zal voor u hierop uitlopen, dat gij zult getuigen. Neemt u daarom in uw hart voor, niet vooraf te bedenken, hoe gij u zult verdedigen. Want Ik al u mond en wijshied geven, welke al uw tegenstanders niet zullen kunnen weerstaan of weerleggen. En gij zult overgeleverd worden zelfs door ouders en broeders en verwanten en vrienden, en zij zullen sommigen van u doden, en gij zult door allen gehaat worden om mijn naams wil. Doch geen haar van uw hoofd zal teloor gaan; door uw volharding zult gij uw leven verkrijgen.”
En met deze verzen is de vraag beantwoord: Omdat het “oude Israël” nu het “nieuwe Israël” (samengesteld uit de discipelen van Jezus, ook wel de Kerk genaamd) tot dan toe zo zwaar vervolgd had, liet God die “dagen van vergelding” en Zijn “toorn over dit volk” komen! En het is nu dit “nieuwe Israël” de Kerk) aan welke God nu (na het van de overpriesters en de Farizeeën te hebben afgenomen), Zijn Koninkrijk Gods geschonken had. Het “oude Israël” dat dit nu in de gaten had gekregen, was om die reden dan ook met de vervolging van de Kerk begonnen. Zie hier de door (voornamelijk de christenzionisten) zo verfoeide vervangingsleer vervuld!
…”Omdat Gij Den Tijd Niet Hebt Opgemerkt Dat God Naar U Omzag.”
Dan gaan we hiermee naar Lucas 19:41-44, waar we het volgende lezen:
“En toen Hij nog dichterbij gekomen was en de stad zag, weende Hij over haar, en zeide: Och, of gij ook op dezen dag verstondt wat tot uw vrede dient; maar thans is het verborgen voor uw ogen. Want er zullen dagen over u komen, waarin uw vijanden een bolwerk tegen u zullen opwerpen en u van alle zijden in het nauw brengen, en zij zullen u en uw kinderen in u vertreden en zij zullen in u geen steen op den anderen laten, omdat gij den tijd niet hebt opgemerkt, dat God naar u omzag.”
Het Gelovig Overblijfsel Had De Tijd Dat God Naar Hen Omzag Wél Opgemerkt.
Met de woorden dat Jeruzalem de tijd dat God naar haar omzag niet had opgemerkt, maakte Jezus duidelijk dat God naar Jeruzalem omgezien had door haar Jezus Zelf te zenden. Maar de stad (en een meerderheid van het Joodse volk had Hem als Messias en Verlosser afgewezen en verworpen; om die reden zouden haar vijanden (de Romeinen) de stad later belegeren, innemen en volkomen verwoesten. Hierbij zouden de inwoners er door de Romeinse legers op guwelijke wijze om het leven worden gebracht! Er was naast de meerderheid die Jezus had verworpen, ook een “gelovig Joods overblijfsel” wat de tijd dat God naar hen omzag, echter wel opgemerkt had; dit lezen we in Romeinen 11:1-5; de apostel Paulus zegt daar nameljk het volgende over:
“Ik vraag dan: God heeft zijn volk toch niet verstoten? Volstrekt niet! Ik ben immers zelf een Israëliet, uit het nageslacht van Abraham, van den stam Benjamin. God heeft zijn volk niet verstoten, dat Hij tevoren gekend heeft. Of weet gij niet wat het schriftwoord zegt in de geschiedenis van Elia, als hij Israël bij God aanklaagt: Here, uw profeten hebben zij gedood, uw altaren hebben zij omvergehaald; ik ben alleen overgebleven en mij staan zij naar het leven. Maar wat zegt de godsspraak tot hem? Ik heb Mij zeven duizend man doen overblijveven, die hun knie voor Baäl niet hebben gebogen. Zo is er dan ook in den tegenwoordigen tijd een overblijfsel gelaten naar de verkiezing der genade.”
Paulus vraagt hier 1), of God Zijn volk niet heeft verstoten. Dan zegt hij dat hij 2), (als Christen) “….zelf een Israëliet, uit het nageslacht van Abraham, van den stam Benjamin” is. En 3), verder maakte hij duidelijk dat er in de tijd van de profeet Elia sprake was van een massale geloofsafval onder de Israëlieten van die tijd. God stelde Elia echter gerust door te stellen dat er ondanks die geloofsafval, Hij er zevenduizend mannen als een “Oud-Testamentisch gelovig overblijfsel” bewaard had, wat niet van Hem afvallig geworden was. En net zoals het toen was, zo maakte dde apostel duidelijk, was het ook nu; want “Zo is er dan ook in dezen tijd een overblijfsel gelaten naar de verkiezing der genade.” In dit laatste geval ging het om een overblijfsel wat Christus Jezus als haar Messias en Redder geaccepteerd had! Bij de woorden God heeft zijn volk toch niet verstoten?”, kijken christenzionisten naar de huidige staat Israël en zeggen dan, “Zie je wel? God heeft Zijn volk niet verstoten!” Waarna ze er de vier daaropvolgende verzen dan niet bij lezen. Maar dat is wat er hier nu net niet mee wordt bedoeld; het gaat hier om een gelovig Joods overblijfsel wat de tijd dat God naar hen omgezien had, dit wél hadopgemerkt en Christus als de Messias geaccepteerd hadden; Paulus (die eerder nog de grootste kerkvervolger van zijn tijd was (zie Galaten 1:13), was er later aan dit overblijfsel toegevoegd. En zij vormden nu het “nieuwe Israël” wat uit het “oude Israël” (de Kerk) voortgekomen was.
Van Het Oude Verbond naar het Nieuwe Verbond: de Kerk: het “Nieuwe Israël” Voortgekomen uit het “Oude Israël.”
En hier komen we dan de beide verbonden en de twee “Israëls.” Wat door vele Christenen nu over het hoofd gezien wordt, is dat er een Oud Verbond was en een Nieuw Verbond is. Het oude verbond had betrekking op het verbond wat God via Mozes met Israël gesloten had. Dit Israël zouden we het “oude Israël” ofwel het “Israël naar het vlees” kunnen noemen. Het “nieuwe Israël” is het “Israël naar de geest.” God had al lang geleden beloofd dat er ooit eens een nieuw verbond zou komen:
“Zie, de dagen komen, luidt het woord des Heren, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal. Niet zoals het verbond, dat Ik met hun vaderen gesloten heb ten dage dat Ik hen bij de hand nam, om hen uit het land Egypte te leiden: mijn verbond, dat zij gebroken hebben, hoewel Ik heer over hen ben, luidt het woord des Heren. Maar dit is het verbond, dat Ik met het huis Israël sluiten zal na deze dagen, luidt het woord des Heren: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. Dan zulle zij niet meer een ieder zijn naaste en een ieder zijn broeder leren: Kent den Here: want zij allen zullen Mij kennen, van den kleinste tot den grootste onder hen, luidt het woord des Heren, want Ik zal hun ongerechtigheden vergeven en hun zonde niet meer gedenken.” (Jeremia 31:31-34)
“Na Deze Dagen” & Christus Jezus: de Middelaar van een Beter Verbond.
Wat in dit schriftgedeelte nu zo naar voren komt, zijn de woorden “na deze dagen.” Wat God met deze woorden bedoelde te zeggen, is dat die eigenlijk te maken hebben met de dagen van het Oude Verbond (ofwel de dagen onder de wet van Mozes). Die dagen, zo profeteerde God door de profeet Jeremia, zouden een plaats moeten maken voor het Nieuwe Verbond wat Hij met de beide huizen van Israël zou sluiten. En dat dit later ook gebeurde en de belofte van dit Nieuw Verbond ook vervuld werd, lezen we weer in de zendbrief van Paulus aan de Hebreeën; de apostel maakt daar het verschil tussen het Oude Verbond en het Nieuwe Verbond duidelijk als hij het over Jezus als “De hogepriester van het nieuwe verbond” heeft:
“De hoofdzaak ven ons onderwerp is, dat wij zulk een hogepriester hebben, die gezeten is ter rechterzijde van den troon der majesteit in de hemelen, den dienst verrichtende in het heiligdom, in den waren tabernakel, dien de Here opgericht heeft, en niet een mens. Want iedere hogepriester treedt op om gaven en offers te brengen, en om dien reden was het noodzakelijk, dat ook deze iets had om te offeren. Indien Hij nu op aarde was, dan zou Hij niet eens priester wezen, daar er hier reeds zijn om volgens de wet gaven te offeren. Deze verrichten slechts dienst bij een afbeelding en schaduw van het hemelse, blijkens de godspraak, die Mozes ontving, toen hij de tabernakel zou gereed maken. Zie toe, zegt Hij immers, dat gij alles maakt naar het voorbeeld, dat u getoond werd op den berg. Nu echter heeft Hij een zoveel verhevener dienst verkregen, als Hij de middelaar is van een beter verbond, waarvan de rechtskracht op betere beloften berust. Want indien dat eerste onberispelijk ware geweest, zou er geen plaats gezocht zijn voor een tweede. Want Hij berispt hen als hij zegt:
Zie, er komen dagen, spreekt de Here, dat Ik voor het huis Israëls en het huis Juda een nieuw verbond tot stand zal brengen, niet zoals het verbond, dat Ik met hun vaderen maakte ten dage, dat Ik hen bij de hand nam om hen uit het land Egypte te leiden, want zij hebben zich niet gehouden aan mijn verbond en Ik heb Mij niet meer om hen bekommerd, spreekt de Here. Want dit is het verbond, waarmede Ik Mij verbinden zal aan het Huis Israël na die dagen, spreekt de Here: Ik zal Mij wetten in hun verstand leggen, en Ik zal die in hun harten schrijven, en Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. En niet langer zullen zij een ieder zijn medeburger, en een ieder zijn broeder leren, zeggende: Ken den Here, want allen zullen zij Mij kennen, van den kleinste tot den grootste onder hen. Want Ik zal genadig zijn over hun ongerechtigheden, en hun zonde zal Ik niet meer gedenken. Als Hij spreekt van een nieuw verbond, heeft Hij daarmede het eerste voor verouderd verklaard. En wat veroudert en verjaart, is niet ver van verdwijning.” (Hebreeën 8:1-13)
“Het Is Volbracht”: Het Einde van het Oude Verbond.
Dat het oude verbond voorgoed tot een einde kwam, gebeurde toen Jezus, eenmaal aan het kruis en vlak voor Zijn sterven, de nu zo bekende woorden “Het is volbracht!” uitriep:
“Hierna zeide Jezus, daar Hij wist, dat alles reeds volbracht was, opdat de Schrift vervuld zou worden: Mij dorst! Er stond een kruik vol zuren wijn; zij staken dan een spons, gedrenkt met zuren wijn, op een hysopstengel en brachten die aan zijn mond. Toen Jezus dan den zuren wijn genomen had, zeide Hij: Het is volbracht! En Hij boog het hoofd en gaf den geest.” (Johannes 19:28-30)
“Zij Zullen Zien Op Hem, Dien Zij Doorstoken Hebben.”
Veelal wordt aangenomen dat Jezus met zijn laatste woorden “Het is volbracht!”, hier alleen maar Zijn bediening op het oog had; die had Hij nu afgesloten en daar doelde Jezus dan ook op. Maar zoals we net daarvoor al zeiden, was hiermee ook het Oude Verbond volbracht. Vanaf vers 31 lezen we dat de Joden Pilatus verzochten om de benen van de twee misdadigers die samen met Jezus gekruisigd waren en de benen van Jezus Zelf gebroken konden worden; het was namelijk de voorbereiding voor de sabbat en op die sabbatdag mochten de lichamen niet aan het kruis blijven Pilatus stemde toe en zo werden de benen van de twee misdadigers door Romeinse soldaten gebroken,
“Maar toen zij bij Jezus gekomen waren en zagen, dat Hij reeds gestorven was, braken zij zijn benen niet, maar een van de soldaten stak met een speer in zijn zijde en terstond kwam er bloed en water uit. En die het gezien heeft, heeft er van getuigd en zijn getuigenis is waarachtig en hij weet dat hij de waarheid spreekt, opdat ook gij gelooft. Want dit is geschied, opdat het schriftwoord zou vervuld worden: Geen been van Hem zal verbrijzeld worden. En weder zegt een ander schriftwoord: Zij zulen zien op Hem, dien zij doorstoken hebben.” (verzen 33-37)
Het Bewijs van de Vervangingsleer: het Nieuwe Verbond Gesloten met Leden Binnen het Oude Israël: de Kerk.
En dit is nu het Nieuwe Verbond wat God met het huis Israël gesloten had. Het Oude Verbond was nu “verouderd” en “verjaard” en dus dan ook voorbijgegaan en voorgoed verdwenen. Het is echter ook belangrijk hierbij te vermelden dat het Nieuwe Verbond gesloten werd met leden die zich binnen het “oude Israël” onder het Oude Verbond waren. Dit waren dan de discipelen (de latere apostelen) van Jezus. En samen zouden die dan de Kerk, de Gemeente van Christus Jezus vormen. En hieruit kan weer worden geconcludeerd dat het “nieuwe Israël” uit het “oude Israël” voortgekomen is. Was er eerder een “oud Israël” (het Israël naar het vlees), nu was hier het “nieuwe Israël (het Israël naar de geest) uit oortgekomen. En dit was nu het volk aan wie God Zijn Koninkrijk Gods gegeven had nadat Hij dit eerst van de overpriesters, de Farizeeën (en het “oude volk Israël”) die Jezus niet als hun Messias hadden geaccepteerd, had afgenomen. Aldus is de vervangingsleer hiermee bewezen, bevestigd en ook nog eens goed uitgelegd!
Vervolging & Verdrukking van de Kerk door de Overpriesters, Farizeeén & de Joden die Jezus als de Messias Hadden Verworpen. De Daaropvolgende Verwoesting van Jeruzalem.
Het duurde echter niet lang dat de overpriesters, de Farizeën en het “oude Israël” nadat die gemerkt hadden dat van hen het Koninkrijk Gods afgenomen door Jezus, zij de Kerk (het “nieuwe Israël” dus) hevig begonnen te vervolgen en te verdrukken. Dit hebben we hierboven eerder al besproken betreffende de verzen 12-19 in Lucas 20. Vervolgens zou dit alles leiden tot de verwoesting van Jeruzalem. Jezus maakte dit weer duidelijk met Zijn gelijkenis van “Het koninklijke bruiloftsmaal.”:
En Jezus antwoordde en sprak wederom in gelijkenissen tot hen en zeide: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een koning, die voor zijn zoon een bruiloft aanrichtte. En hij zond zijn slaven uit om de ter bruiloft uitgenodigden te roepen, doch zij wilden niet komen. Wederom zond hij andere slaven uit met de boodschap: Zegt den genodigden: Zie, ik heb mijn maaltijd bereid, mijn ossen en gemeste beesten zijn geslacht en alles is gereed: komt tot de bruiloft. Maar zij sloegen er geen acht op en gingen heen, de een naar zijn akker, de ander naar zijn zaken. De overigen grepen zijn slaven, en zij mishandelden en doodden hen. En de koning werd toornig, en hij zond zijn legers uit en verdelgde die moordenaars en stak hun stad in brand.” (Mattheüs 22:1-7)
Deze profetische gelijkenis die Jezus destijds tegenover de overpriesters en Farizeeën vertelde, vond zijn vervulling uiteindelijk in de verwoesting van Jeruzalem in 70 AD door de romeinse legers onder leiding van de Romeinse veldheer Titus. De “slaven” waar Jeus het over had, waren zijn discipelen van de Kerk. De “koning” was en symbool van God de Vader. En de “zoon” van die koning was weer een symbool van Jezus Zelf. Na een bepaalde tijd was God er dan ook klaar mee en maakte Hij gebruik van de Romeinse legioenen om de stad van “die moordenaars” te verwoesten.
De Volgende Fase: de Heidenen Worden bij de Kerk Gevoegd.
Dan gaan we nu verder vanaf vers 8 van Mattheüs 22:
“Toen zeide hij tot zijn slaven: De bruiloft is wel gereed, maar de genodigden waren het niet waard. Gaat daarom naar de kruispunten der wegen en nodigt allen, die gij aantreft, tot de bruiloft. En die slaven gingen naar de wegen en verzamelden allen, die zij aantroffen, zowel slechten als goeden. En de bruiloftszaal werd vol met hen, die aanlagen.” (verzen 8-10)
Wat we hier nu zien, is dat nadat de “genodiden” (de overpriesters, de Farizeeën en het “oude Israël” voor wie het koninkrijk Gods het eerst bestemd was) de uitnodiging van de koning hadden afgewezen (en daarmee ook Jezus als de Messias verworpen hadden), hier later in hun plaats de heidenen aan werden toegevoegd. Dit waren dan de mensen die de discipelen van Jezus er aan de wegen en kruispunten aantroffen. En zo gebeurde het dat zowel Joden (Israëlieten) met de heidenen (niet-Joden, niet-Israëlieten) samengevoegd en dus één met elkaar werden. Zoals Paulus het uitdrukt:
“Want gij zijt allen zonen van God, door het geloof in Christus Jezus. Want gij allen die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed. Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk of vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Christus Jezus. Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen.” (Galaten 3:26-29)
En elders:
“Liegt niet meer tegen elkander, daar gij den ouden mens met zijn praktijken efgelegd, en den nieuwen aangedaan hebt, die vernieuwd wordt tot volle kennis naar het beeld van zijn Schepper, waarbij geen onderscheid is tussen Griek en Jood, besneden of onbesneden, barbaar en Scyth, slaaf en vrije, maar alles en in allen is Christus.” (Kolossenzen 3:9-11)
Wat Galaten 3:26-29 betreft, lezen hier dus dat 1), we zonen (kinderen) van God zijn door ons geloof in Christus Jezus. En dat er 2), geen verschil is tussen Jood en Griek (niet-Jood, de heiden). En 3), dat we nu, nu we van Christus zijn (Hem toebehoren) we het zaad (nakomelingen) zijn, die de ware erfgenamen van de belofte zijn. En zo is het tot nu toe door alle eeuwen heen geweest. De Kerk was en is nu het “ware Israël” onder het Nieuwe Verbond en zo zal dit blijven tot aan en met de wederkomst van Jezus!
14 Mei 1948: het Ontstaan van Israël als Natie.
Tenslotte moet er nog wat aandacht worden besteed aan de datum 14 mei 1948. Het was op die dag dat Israël weer een staat werd. Voor vele Christenen moet dit wel een godswonder zijn geweest; een volk wat gedurende 2.000 de hele wereld afgezworven had en wat nu ook nog een holocaust had overleefd, dat kon alleen maar een wonder zijn wat God Zelf moest hebben verricht! Nu zou er dan het begin van de vervulling van vele beloften in het Oude Testament worden gemaakt: namelijk de langverwachte terugkeer van het Joodse volk naar het land. De vraag is nu: hoe moeten we hier nu tegenover staan? Zonder hier verder op details in te gaan, moet worden gezegd dat er nergens in de Bijbel iets over een derde reis van het Joodse volk naar het land staat vermeld. En die beloften in het Oude Testament die over en terugkeer naar Israël spreken, werden vervuld enige tijd ná de terugkeer van het Joodse volk uit de Babylonische Ballingschap. En dat die beloften in het Oude Testament staan (en we die nergens tegenkomen in het Nieuwe Testement) wil zeggen dat die beloften onder het Oude Verbond werden vervuld. In het Nieuwe Testament lezen we over de Kerk. Zoals we al hebben gezien, is de Kerk als het Israël onder het Nieuwe Verbond voortgekomenuit het Israël onder het Oude Verbond. Dus: zoals we onder het Oude Verbond één “oud” Israël hadden, zo hebben we nu al voor lange tijd het “nieuwe Israël” onder het Nieuwe Verbond. En: had het oude Israël een fysiek land met fysieke grenzen en een fysieke tempel, het nieuwe Israël (de Kerk) heeft die niet. Luister hoe Paulus dit tegenover de Joodse Christenen van zijn tijd uitlegde:
“Want gij zijt niet genaderd tot een tastbaar en brandend vuur, tot donkerheid, duisternis en stormwind, tot het geklank van een bazuin en tot het geluid van een stem, bij het horen waarvan zijn verzochten, dat niet verder tot hen gesproken werd; want zij konden dir bevel niet dragen: Zelfs als een dier den berg aanraakt, zal het worden gestenigd. En zo ontzagelijk was het verschijnsel, dat Mozes zeide: Ik ben enkel vreze en beving. Maar gij zijt genaderd tot den berg Sion, tot den stad van den levenden God, het hemelse Jeruzalem en tot tienduizendtallen van engelen, en tot een feestelijke en plechtige vergadering van eerstgeborenen, die ingeschreven zijn in de hemelen, en tot God, den Rechter over allen, en tot de geesten der rechtvaardigen, die de voleinding bereikt hebben, en tot Jezus, de middelaar van een nieuw verbond, en tot het bleod der besprenging, dat krachtiger spreekt dan Abel. Zie dan toe dat gij Hem die spreekt, niet afwijst. Want als genen niet ontkomen zijn, toen zij Hem afwezen, die zijn godsspraak op aarde deed horen, hoeveel te minder wij, als wij ons afwenden van Hem, die uit de hemelen spreekt. die uit de hemelen spreekt. Toen heeft zijn stem de aarde doen wankelen, doch thans heeft Hij een belofte gegeven, zeggende: Nog eenmaal zal Ik niet slechts de aarde, maar ook den hemel doen beven. Dit: nog eenmaal, doelt op een verandering der wanlele dingen als van iets, dat slechts geschapen is, opdat blijve, wat niet wankel is. Laten wij derhalve, omdat wij een onwankelbaar koninkrijk ontvangen, dankbaar zijn en hierdoor God vereren op een Hem welbehagelijke wijze met eerbied en ontzag, want onze God is een verrerend vuur.” Hebreeën 12:18-29)
Wat we hier zien, is dat het niet alleen een nieuw verbond, waarvan Jezus de Middelaar is, we lezen hier ook dat God Die Zijn spraak eertijds op aarde deed horen, dit later “uit de hemelen” zou doen. En dit zien we weer terug in Hebreeën 1:1-2:
“Nadat God eertijds vele en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij nu in het laatst der dagen tot ons gesproken in den Zoon, Dien Hij gesteld heeft tot erfgenaam van alle dingen, door wien Hij ook de wereld geschapen heeft.”
En “het wankele” waar Paulus hier van spreekt, is het fysieke Israël wat uiteindelijk zou verdwijnen. Hiervoor in de plaats werd de Gemeente van Jezus gesteld.
De Stichting van Israël als Staat op 15 Mei 1948: geen “Wonder van God.”
Na een bepaalde tijd zouden ook Jeruzalem, de tempel met het Mozaïsche dierenofferstelsel verdwijnen doordat de “hoeksteen” (symbool van Jezus) er tijdens de opmars van de Romeinse legioenen onder leiding van Titus door Israël er bovenop neerviel; en later verdween ook Israël als natie nadat de daaropvolgende Romeinse keizer Hadrianus opdracht had gegeven de overgrote meerderheid van het Joodse volk uit het land te verwijderen. Dat Israël in 1948 weer een staat werd, heeft dus weinig tot niets te betekenen. Immers, beloften van de terugkeer van het Joodse volk die al enige tijd na de Babylonische Ballingschap vervuld waren, kunnen niet wéér vervuld worden. Daarnaast leven we onder het Nieuwe Verbond: het Nieuwe Genadeverbond tussen Jezus en Zijn Kerk. Dit alles heeft dan ook geen betrekking op de huidige zionistische staat in het Midden-Oosten; die heeft hier niets mee te maken en voor de Kerk is het niet nodig om er ook maar even acht op te slaan.
“