Recent hadden we de Pinksterdagen weer achter de rug. Nu zijn er veel mensen die niet precies meer weten, wat de betekenis van dit Pinksterfeest is. Het gaat hier namelijk over een bijzondere Pinksterdag waarop de discipelen/apostelen van Jezus de Heilige Geest ontvingen. (zie Handelingen 2:1-13)
Het “Spreken in Vreemde Talen” versus het “Spreken in (Nieuwe) Charismatische “Tongen.” Voor we verder gaan, moeten we eerst het volgende vaststellen: het “spreken in vreemde talen” zoals we dit in Handelingen 2 beschreven zien, verschilt totaal met het “spreken in (nieuwe) charismatische “tongen” zoals dit in de charismatische beweging wordt geleerd: het gaat hier immers niet om een soort van “onverstaanbaar gebrabbel” zoals dit in charismatische kerken wordt geleerd, maar om werkelijk bestaande, aardse talen, die door de omstanders uit den vreemde konden worden verstaan en begrepen:
“en zij” de toehoorders) “waren allen buiten zichzelf en verwonderden zich, en zij zeiden tegen elkaar: Zie, zijn het niet allen Galileeërs die daar spreken? En hoe kunnen wij hen dan horen, eenieder in onze eigen taal, waarin wij geboren zijn?” (Handelingen 2:7-8)
Zowel de Joodse Apostelen als de Eerste Heidenen Ontvingen de Heilige Geest Zonder oplegging van Handen.
Wat verder opvalt, is het volgende: Zowel de Joodse apostelen als de eerste heidenen ontvingen de Heilige Geest zonder oplegging van handen. Bij andere gelegenheden ontvingen mensen de Geest via handoplegging. (Handelingen 8:14-17, 19:1-7) Wat nu de eerste heidenen (niet-Joden) betreft, waren dit de Romeinse commandant Cornelius, zijn familie en beste vrienden, nadat de apostel Petrus bij Cornelius ontboden was om hen het Evangelie te verkondigen:
“Terwijl Petrus deze woorden nog sprak, viel de Heilige Geest op allen die het Woord hoorden. En de gelovigen die van de besnijdenis waren, zovelen als er met Petrus waren meegekomen, waren buiten zichzelf dat de gave van de Heilige Geest ook op de heidenen uitgestort werd, want zij hoorden hen spreken in vreemde talen en God grootmaken.” (verzen 44-46)
Geen Verschil Tussen Joden en Heidenen.
Wat God hier wat de Joodse apostelen en de Romeinse heidenen betreft nu duidelijk mee wilde maken was, dat er geen verschil tussen Joden en heidenen was. Om Petrus daarvan ook te overtuigen, had Hij hem tijdens zijn gebed op het dak van het huis van Simon de leerlooier waar hij toen verbleef, het bekende visioen met het laken en verschillende dieren laten zien; volgens de Joodse wet mochten die niet worden gegeten. (Handelingen 10:9-17) Aanvankelijk begreep Petrus helemaal niets van dit visioen. (vers 17) Later echter, nadat hij bij Cornelius aangekomen was, begreep de apostel dit wél, toen hij tegen de Romeinse commandant het volgende zei:
“U weet dat het een Joodse man niet toegestaan is om met iemand van een ander volk om te gaan of bij hem binnen te gaan; maar God heeft mij laten zien dat ik geen mens onheilig of onrein mag noemen. Daarom ben ik ook zonder tegenspreken, toen ik ontboden werd. Dus vraag ik om welke reden u mij ontboden hebt.” (verzen 28-29)
Hier zien we dat zowel Joden als heidenen voor God gelijk zijn; niemand is er méér of minder om! En hier zien we tegelijkertijd ook dat waar de apostel Paulus in zijn zendbrief aan de Efeziërs zou schrijven: namelijk dat de scheidsmuur die scheiding tussen Joden en heidenen maakte, door de dood en de opstanding van Jezus afgebroken was. (Efeziërs 2:11-22) Het dient hier duidelijk te worden gemaakt dat het in Efeziërs 2 om de Kerk gaat en niet louter om “het Joodse volk” of “Israël.”
“Het Joodse Volk” & de “Gelovigen-Uit-De-Heidenen”: een (Joodse) Fabel.
Wat we hiermee eveneens goed duidelijk willen maken, is dat er niet zoiets is als het “Joodse volk” en de “Gelovigen-uit-de-heidenen.” Deze doctrine wordt voornamelijk (zo niet alleen) binnen de christen-zionistische beweging geleerd. Dit verschil wat er volgens de christen-zionisten zou zijn, wordt door hen ook nog eens extra benadrukt door dat zij over bekeerde Joden als “Messias-belijdende Joden” of Messiaanse Joden” spreken. Dit zijn echter termen die geen enkele betekenis hebben: zowel Joden als heidenen zijn één in Christus Jezus en zijn beiden daarom dan ook Christenen. De christen-zionistische doctrine kan dan ook alleen maar als een Joodse fabel worden beschouwd!
Jezus, de Farizeeën & de Scheidbrief.
In dit geval kunnen we iets leren van de geschiedenis over de Farizeeërs, die om Jezus in verzoeking te brengen, het over de scheidbrief hadden:
“En de Farizeeën kwamen naar Hem toe om Hem te verzoeken en zeiden tegen Hem: Is het een man toegestaan zijn vrouw om allerlei redenen te verstoten? En Hij antwoordde en zei tegen hen: Hebt u niet gelezen dat Hij Die de mens gemaakt heeft, hen van het begin af mannelijk en vrouwelijk gemaakt heeft, en gezegd heeft: Daarom zal een man zijn moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten, en die twee zullen tot één vlees zijn, zodat zij niet meer twee zijn, maar één vlees? Dus, wat God samengevoegd heeft, laat de mens dat niet scheiden.” (Mattheüs 19:3-6)
Bouw de door Jezus Afgebroken Scheidsmuur Weer Niet Op!
Welnu, net zoals God man en vrouw door het door Hem ingestelde huwelijk samen één heeft gemaakt, zo heeft Hij dit door Jezus ook met de gelovige Joden en gelovige niet-Joden (heidenen) gedaan; beiden zijn één in Christus! Doordat men binnen de christen-zionistische beweging toch spreekt van het Joodse volk versus de gelovigen-uit-de-heidenen, hebben zij in hun voorliefde voor Israël en het Joodse volk niet door dat zij hiermee de scheidsmuur die Jezus afgebroken had, in zekere zin zo weer opbouwen! En dat is volkomen verkeerd. Bouw daarom de door Jezus afgebroken scheidsmuur niet weer op door verschil te maken tussen Joden en heidenen!
“Want u bent allen kinderen van God door het geloof in Christus Jezus. Want u allen die in Christus gedoopt bent, hebt zich met Christus bekleed. Daarbij is het niet van belang dat men Jood is of Griek; daarbij is het niet van belang dat men slaaf is of vrije; daarbij is het niet van belang dat men man is of vrouw; want allen bent u één in Christus Jezus. En als u van Christus bent, dan bent u Abrahams nageslacht en overeenkomstig de belofte erfgenamen.” (Galaten 3:26-29)