Vandaag zullen we beginnen met het Evangelie naar Johannes. We beginnen hier in hoofdstuk 10, vers 22:
En het was het feest van de inwijding van de tempel in Jeruzalem, en het was winter. En Jezus liep rond in de tempel, in de zuilengang van Salomo. De Joden dan omringden Hem en zeiden tegen Hem: Hoelang houdt U ons in het onzekere? Als U de Christus bent, zeg het ons vrijuit. Jezus antwoordde hun: Ik heb het u gezegd en u gelooft het niet. De werken die Ik doe in de Naam van Mijn Vader, die getuigen van Mij.” (verzen 22-25)
Hier zien we dat Jezus de uitzonderlijke wonderwerken onder de Joden deed om zo hen zo te bewijzen dat Hij de hen lang beloofde Messias was; “Messias” betekent immers “Christus.” Daarnaast had Jezus zoals we hier al zien, de Joden ook al gezegd dat Hij de Messias was. Dan gaan we nu verder:
“Maar u gelooft niet, want u bent niet van Mijn schapen, zoals Ik u gezegd heb. Mijn schapen horen Mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij. En Ik geef hun eeuwig leven; en zij zullen beslist niet verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze uit Mijn hand rukken. Mijn Vader, Die hen aan Mij gegeven heeft, is meer dan allen, en niemand kan hen uit de hand van Mijn Vader rukken. Ik en de Vader zijn één.” (verzen 26-30)
Niet-Christelijke Joden Niet het “Uitverkoren Volk van God.”
We zullen hier even stil bij blijven staan. Want binnen het christelijk zionisme leert men dat de Joden alleen al door hun Joods-zijn het “uitverkoren volk van God” zouden zijn. Jezus maakte tegenover de Joden van Zijn tijd echter onomwonden duidelijk dat zij omdát zij niet in Hem als de Messias geloofden, niet tot Zijn schapen behoorden. En dus ook niet door God uitverkoren waren. Daarnaast zei Jezus hen ook nog dat Hij en en God de Vader één waren en dan samen ook een eenheid vormden. Let nu op de reactie van de Joden die zoals gezegd, niet in Hem geloofden en het antwoord van Jezus hierop:
“De Joden dan pakten opnieuw stenen op om Hem te stenigen. Jezus antwoordde hun: Ik heb u vele goede werken van Mijn Vader laten zien. Vanwege welk van die werken stenigt u Mij? De Joden antwoordden Hem: Wij stenigen U niet vanwege een goed werk, maar vanwege godslastering, namelijk omdat U, Die een Mens bent, Uzelf God maakt.” verzen 31-33)
Het was voor de Joden een aanstoot en een ergernis dat Jezus door Zich als één met God de Vader voor te stellen, Hij van Zichzelf zei, God te zijn; zij konden al niet geloven dat Hij de Messias/Christus was en nu Hij zich ook nog eens met God de Vader gelijkstelde, was voor hen de maat vol. En toch is het dat wat Jezus van Zichzelf zei; niet alleen de Vader was God, maar ook Jezus Zelf was God! En dit is natuurlijk ook met God de Heilige Geest het geval. Die was nog niet ten tonele verschenen omdat Jezus nog niet aan het kruis gestorven, begraven was; nadat Hij uit de dood was opgestaan, deelde Jezus Zijn discipelen mee dat Hij, na eenmaal ten hemel opgevaren te zijn, zij de Heilige Geest zouden ontvangen. (Handelingen 1:8) En dit nu brengt ons tot de:
Goddelijke Heilige Drie-Eenheid.
Dat zowel de Vader als Jezus én de Heilige Geest één eenheid vormen, lezen we in 1 Johannes 5:
“Ieder die gelooft dat Jezus de Christus is, is uit God geboren; en ieder die Hem liefheeft Die geboren deed worden, heeft ook lief wie uit Hem geboren is. Hieraan weten wij dat wij de kinderen van God liefhebben, wanneer wij God liefhebben en Zijn geboden bewaren. Want dit is de liefde tot God, dat wij Zijn geboden in acht nemen; en Zijn geboden zijn geen zware last. Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning die de wereld overwonnen heeft: ons geloof. Wie anders is het die de wereld overwint dan hij die gelooft dat Jezus de Zoon van God is?” (verzen 1-5)
Hier zien we dat niet alleen de Vader, Jezus en de Geest een eenheid vormen, maar ook dat samen met deze Drie-Eenheid ook de Christenen die in deze eenheid geloven, samen één zijn. Met slechts – en hier moet de nadruk op worden gelegd – één verschil: daar waar de Vader, Jezus en de Geest samen God zijn, zijn wij die in hen geloven, géén God maar Zijn schepselen!
De Prosperity Teacher Creflo Dollar: God en “de Goden.”
Dat we dit hier vermelden is belangrijk omdat er in delen van de charismatische beweging (eigenlijk de Word of Faith-Movement) geleerd wordt dat naast God ook de Christenen “God” zouden zijn. Creflo Dollar (een van de vele prosperity teachers binnen deze beweging had eens het volgende gezegd:
“We zijn gemaakt naar het beeld van God en bezitten daarom goddelijkheid in ons die ons in staat stelt, de welvaart die ons beloofd is, tot stand te brengen.”
Wat hij hiermee eigenlijk mee wilde zeggen, is dat omdat wij naar het beeld van God geschapen zijn (wat op zichzelf juist is), wij, net zoals God eens de schepping tot stand bracht door slechts te spreken, ook wij konden spreken om de welvaart die ons in het vooruitzicht zou zijn gesteld, tot stand konden brengen. Hier hebben we dan de nu zo beruchte “Name it, claim it , possess it”- doctrine: een dictrine waarvan beweerd wordt dat we ons zowel materieel als financieel kunnen verrijken door de financiële en materiële midelen slechts tot aanzijn te spreken. Hierbij was het echter ook noodzakelijk om “een stap in het geloof” te doen, ook een (liefst flinke) donatie aan degene die deze leert bracht, tegeven! Maar dit heeft echter nooit gewerkt; de enigen voor wie die doctrine wél werkte, waren de prosperity teachers zelf. Door zo de gelovigen op een sluwe manier van hun ged te ontdoen, hadden ze zich intussen flink verrijkt! En… we zijn dan wel naar het beeld van God geschapen, maar dit maakt nog niet dat ook wij “goden” zouden zijn. Verder toont de Bijbel aan dat alleen de Vader, Jezus en de Geest samen God zijn.
Christus Jezus en de “Goden.”
In verband hiermee is het belangrijk om weer terug te keren naar Johannes 10; we eindigden ermee dat de Joden tot Jezus zeiden dat zij Hem niet vanwege een goed werk wilde stenigen, maar omdat Hij zich met God gelijkgesteld had. Nu gaan we verder vanaf vers 34:
“Jezus antwoordde hun: Is er niet geschreven in uw wet: Ik heb gezegd: U bent goden? Als de wet hén goden noemde tot wie het Woord van God kwam, en aangezien de Schrift niet gebroken kan worden, zegt u dan tegen Mij, Die de Vder geheiligd en in de wereld gezonden heeft: U lastert God, omdat Ik gezegd heb: Ik ben Gods Zoon? Als Ik niet de werken van Mijn Vader doe, geloof Mij dan niet, maar als Ik ze doe en u Mij niet gelooft, geloof dan de werken, opdat u erkent en eglooft dat de Vader in Mij is en Ik in Hem. Zij probeerden dan opnieuw Hem te grijpen, maar Hij ontkwam aan hun handen.” (verzen 34-39)
Mozes als een “God.”
Dat God tot de Joden dat ze “goden” waren, was waar. Maar over waarom Hij dit had gezegd, moet dit ook goed worden uitgelegd. We zullen hier eerst mee naar Exodus 4 gaan; in de vorige hoofdstukken van dit boek lezen we dat God er enige moeite mee had Mozes zover te krijgen om naar farao van Egypte te gaan om hem aan te zeggen dat het volk Israël, wat er toen in slavernij leefde, te laten gaan. Mozes vond onder meer dat hij toch niet goed kon spreken als hij eenmaal voor farao zou staan. Uiteindelijk werd God toornigMozes gaat pas dan op pad nadat God hem gezegd had dat de broer van Mozes, Aäron, hem hierbij zou vergezellen en hem bij zou staan. In de verzen 14-17 lezen we er dit:
“Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Mozes en Hij zei: Aäron, de Leviet, is toch uw broer? Ik weet dat hij uitstekend spreken kan. Bovendien, zie, hij trekt u tegemoet. Zodra hij u ziet, zal hij zich van harte verblijden. Dan moet u tot hem spreken en hem de woorden in zijn mond leggen. Ikzelf zal met uw mond en zijn mond zijn en u leren wat u doen moet. En híj zal voor u tot het volk spreken. Dan zal het zó zijn: Hij zal voor u tot een mond zijn en u zult voor hem tot een god zijn. Neem daarom deze staf in uw hand, waarmee u die tekenen moet doen.”
Dan gaan we hiermee naar Exodus 7:1:
“Toen zei de HEERE tegen Mozes: Zie, Ik heb u voor de farao tot een god gemaakt en uw broer Aäron zal uw profeet zijn.”
We zien dus hier dat God Mozes voor zowel het volk Israël als voor farao “tot een “god” had aangesteld. Maar dit betekent natuurlijk niet dat hij ook aan God gelijk werd! Wat dit eigenlijk zeggen wil, is dat God Mozes tot een richter had aangesteld om farao te manen het volk te laten gaan. In Exodus 18:13-27 lezen we dat toen de schoonvader van Mozes, Jethro, bij het volk Israël verbleef, zag dat Mozes van de morgen tot de avond recht aan het spreken was over bepaalde zaken onder het volk. Hij stelde toen voor om het voor Mozes allemaal wat lichter te maken, dat zijn schoonzoon er “bekwame mannen, godvrezende betrouwbare mannen, die een afkeer hebben van winstbejag” hier voor aan moest stellen; die zouden de kleinere zaken onder het volk behandelen en Mozes alleen de grotere zaken. Mozes doet dit ook, waarna Jethro weer terugkeert naar zijn land.
Richters als “Goden.”
Het waren nu deze mannen die voortaan als richters recht zouden spreken onder het volk. In Exodus 21 gaat het over de relatie slaaf (dienaar) en zijn meester. Na zijn meester zes jaren te hebben gediend, mocht de slaaf in het zevende jaar vertrekken om weer in vrijheid te leven; maar als die slaaf (dienaar) duidelijk maakte dat hij het goed had gehad bij zijn meester en toch liever bij hem wilde blijven, “dan zal zijn heer hem bij de goden brengen, hij zal hem bij de deur of den deurpost brengen, en zijn heer zal zijn oor met een priem doorboren en hij zal hem voor altijd dienen.” (zie verzen 1-6 NBG-vertaling) Hier zien we dat de richters “goden” werden genoemd. In de Herziene Statenvertaling (HSV) die we hier bijna altijd aanhouden, is het woord “goden” hier gewoon met “rechters” vertaald, wat niet juist is. De oude Statenvertaling heeft hier in vers 6 het volgende:
“Zoo zal hem zijn heer tot de goden brengen, daarna zal hij hem aan de deur of aan den post brengen, en zijn heer zal hem met eenen priem zijn oor doorboren, en hij zal hem eeuwig dienen.”
Door hier de term “goden” gewoon met “rechters” te vertalen, hebben de vertalers van de HSV hier eigenlijk een slechte dienst mee geleverd! Daarnaast hebben we nu al vele nieuwe Bijbelvertalingen zoals onder meer de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV). Daar is het nog erger mee gesteld:
“Mocht hij echter te kennen geven dat hij zo aan zijn meester en aan zijn vrouw en kinderen gehecht is dat hij niet als vrij man wil vertrekken, dan moet zijn meester hem naar het heiligdom brengen, hem tegen de deur of de deurpost zetten, en zijn oor met een priem doorboren. Hij blijft dan voorgoed zijn slaaf.” (Exodus 21:5-6)
Hier wordt de slaaf door zijn meester niet voor de “rechters” of “goden” geleid, maar in plaats daarvan “naar het heiligdom” gebracht. Dit kan alleen maar een moedwillig veranderen van woorden worden genoemd! Als dit met de modernisering van die vertalingen op dezelfde voet doorgaat zoals ook die NBV gemoderniseerd en vertaald is, dan zullen we er van de originele Bijbelvertaling nog maar weinig van terug vinden! Het uiteindelijke gevolg is dan dat we bepaalde zaken niet meer aan de Bijbel kunnen toetsen. En dan zal het wel heel erg lastig worden om er verkeerde leerstellingen mee te kunnen weerleggen! Maar dit even terzijde…
De Joden in de Tijd van Jezus Dachten Werkelijk “Goden” te Zijn.
Dan komen we hier weer mee terug naar wat Jezus de Joden van Zijn tijd als “goden” vertelde. (Johannes 10:34-39) Waar Jezus met zijn woorden tegenover de Joden nu naar verwees, waren de woorden van Psalm 82. Daar staat namelijk het volgende:
“God staat in de vergadering Godes. Hij oordeelt in het midden der goden: hoe lang zult gijlieden onrecht oordeelen, en het aangezicht der goddelozen aannemen? Doet recht den arme en den wees, rechtvaardigt den den verdrukte en den arme, verlost den arme en den behoeftige, rukt hem uit der goddeloozen hand. Zij weten niets en verstaan niets, zij wandelen steeds in duisternis; dies wankelen alle fundamenten der aarde. Ik heb wel gezegd: Gij zijt goden, en gij zijt allen kinderen des Allerhoogsten: nochtans zult gij sterven als een mensch, en als een van de Vorsten zult gij vallen. Sta op, o God! oordeel het aardrijk, want Gij bezit alle natiën.”
Wat hier nu duidelijk uit wordt, is dat de rechters onder de oude Israëlieten meenden letterlijk “goden” geworden te zijn. Dus niet alleen rechters als “goden”, maar werkelijk als “God” geworden waren! Dit blijkt dat God hen vertelde dat zij, ondanks dat ze dit dachten, zouden “sterven als een mensch.” En dit zal bij de Joden van de tijd van Jezus niet anders zijn geweest; Hij erkende dat zij inderdaad als “goden” (rechters) waren aangesteld, maar dat zij later evenals hun voorouders onder de rechters dit dachten, ook zíj nu als “God” geworden waren.
De Geschiedenis van de Blindgeboren Man, de Joden & de Farizeeën.
Dit komt vooral tot uiting in de geschiedenis van “De blindgeborene.” (Johannes 9) Jezus heeft daar een man genezen die vanaf zijn geboorte blind was geweest. Nadat zijn buren gemerkt hadden dat hij genezen was, brachten zij hem voor de Farizeën. Die vroegen hem hoe zijn ogen weer geopend waren. Hij zei hen dat het Jezus geweest was die dit gedaan had. Maar de Farizeeën waren van mening dat Jezus de voormalige blinde man op een sabbat genezen had, niet van God afkomstig kon zijn. Ze werden onder elkaar hierbij verdeeld. En:
“Zij dan zeiden nog eens tot den blinde: Wat zegt gij van Hem, daar Hij uw ogen geopend heeft? En hij zeide: Hij is een profeet. De Joden dan geloofden niet van hem, dat hij blind was geweest en ziende geworden was, totdat zij de ouders geroepen hadden van hem, die ziende was geworden, en zei vroegen hun en zeiden: Is dit uw zoon, van wien gij zegt, dat hij blind geboren is? Hoe kan hij dan nu zien? Zijn ouders antwoordden en zeiden: Wij weten, dat dit onze zoon is, en dat hij blind geboren is; maar hoe hij nu zien kan, weten wij niet, en wie zijn ogen geopend heeft, wij weten het niet; vraagt het hemzelf, hij heeft zijn leeftijd; hij zal voor zichzelf spreken. Dit zeiden zijn ouders, omdat zij bang waren voor de Joden, want de Joden waren reeds overeengekomen, dat, indien iemand mocht belijden dat Hij de Christus was, hij uit de synagoge zou worden gebannen. Daarom zeiden zijn ouders: Hij heeft zijn leeftijd, vraagt het hemzelf.” (verzen 17-23 NBG-vertaling)
Als (letterlijke) “goden” hadden de Joden er in die tijd een absolute macht over het gewone Joodse volk. Zozeer zelfs dat de ouders van de blindgeboren zoon te bevreesd voor hen waren om ook maar toe te geven dat het Jezus was geweest Die hem genezen had! Dan wordt de (voorheen) blind geboren man wéér voor de Farizeeën geroepen; ze zeiden hem God de eer te geven en dat ze wisten dat Jezus een zondaar moest zijn. En:
“Hij dan antwoordde: Of Hij een zondaar is, weet ik niet; één ding weet ik, dat ik, die blind was, nu kan zien.”
En op de vraag, wat Jezus nu aan zijn ogen gedaan had om hem te genezen, zei de man het volgende:
“Ik heb het u al gezegd, en gij hebt er niet naar gehoord; waarom wilt gij het opnieuw horen? Wilt gij soms ook discipelen van Hem worden?”
De (heftige) reactie van de Farizeeën en de tegenreactie van de man:
“En zij scholden hem uit en zeiden: Gij zijt een discipel van Hem, maar wij zijn discipelen van Mozes; wij weten, dat God tot Mozes gesproken heeft, maar van dezen weten wij niet, vanwaar Hij komt. De man antwoordde en zeide tot hen: Hierin is toch iets wonderlijks, dat gij niet weet, vanwaar Hij komt, maar mijn ogen heeft Hij geopend. Wij weten, dat God naar zondaars niet hoort, maar is iemand godvruchtig, en doet hij zijn wil, dien verhoort Hij. Van eeeuwigheid is het niet gehoord, dat iemand de ogen van een blindgeborene geopend heeft. Als deze niet van God was gekomen, Hij had niets kunnen doen. Zij antwoordden en zeiden tot hem: Gij zijt geheel in zonde geboren en wilt gij ons leren? En zij wierpen het uit.” (verzen 25-34)
Niet alleen was Jezus een zondaar in de ogen van de Farizeeën, ook de man zelf was volgens hen “geheel in zonde geboren”, en nu wilde deze man hen die meenden “God” en dus geheel rein en zonder zonde te zijn, hen even de les lezen!
Farizeeën Meenden te Kunnen Zien. Ze Hadden geen Zonden van Zichzelf en Waren Dus Even Rein als God.
Later werd de man door Jezus opgevangen, “en Hij zeide, toen Hij hem aantrof: Gelooft gij in den Zoon des mensen? Hij antwoordde en zeide: En wie is Hij Here, dat ik in Hem moge geloven? Jezus zeide tot hem: Gij hebt Hem niet slechts gezien, maar die met hem spreeekt, die is het. Hij zeide: Ik geloof, Here, en hij wierp zich voor Hem neder. En Jezus zeide: Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen, opdat wie niet zien, zien mogen, en wie zien, blind worden.” (verzen 35-39)
Wat Jezus hiermee bedoelde te zeggen, was dat degenen die (geestelijk) blind waren, zouden gaan zien dat Jezus, net zoals deze nu voorheen blinde man dit was gaan zien, de Messias en de Redder van het Joodse volk en de mensheid was. Hun (geestelijke) ogen werden ervoor geopend zodat zij waren gaan zien dat ze verlossing van zonden nodig hadden, waarna ze in waren gaan zien dat alleen Jezus hen ervan kon redden. Degenen die in tegenstelling met deze man en de mensen meenden te “zien”, dachten van zichzelf rein van zonden te zijn en meenden Jezus als Verlosser dan ook niet nodig te hebben. Wat Jezus nu had gezegd, hadden ook de Farizeeën gehoord:
“Dit hoorden sommigen uit de Farizeeën, die bij Hem waren, en zei zeiden tot Hem: Zijn wij soms ook blind? Jezus zeide tot hen: Indien gij blind waart, zoudt gij geen zonde hebben; maar nu zegt gij: Wij zien; daarom blijft uw zonde.” (verzen 40-41)
Met de woorden “Zijn wij soms ook blind?”, maakten die Farizeeën Jezus duidelijk dat ook zij meenden volkomen rein van zonden te zijn en Hem als Verlosser toch niet nodig te hebben. Zouden zij nu (geestelijk) “blind” zijn geweest door te erkennen dat ook zij slechts gevallen zondaars waren en erkend hadden Jezus nodig te hebben voor de verlossing van hun zonden, zouden de Farizeeën geen zonde hebben. Doordat alleen zij rein van zonden en dus als “God” meenden te zijn, bleef hun zonde op hen!
Die Vervloekte Menigte!
Dat de Farizeën wat reinheid en volmaaktheid betreft, boven de rest van het Joodse volk verheven meenden (en dus als geheel “God”) te zijn, kwan tot uiting in hun woorden:
“Maar die schare, die de wet niet kent, vervloekt zijn zij!” (Johannes 7:49)
Het is dan ook niet vreemd dat Jezus in die tijd een grote aanhang had gekregen; het waren niet allleen de opzienbarende wonderen die Hij onder het volk deed; het zal voornamelijk Zijn grote liefde voor het volk zijn geweest die Hem zoveel volgelingen opgeleverd had; een ware liefde die er bij de Farizeeën echter volkomen afwezig was.
Christelijke Zionisten Leren: Israël is “God.”
Dan willen we in verband hiermee nog even iets over de christelijke zionisten zeggen: In elk christelijk-zionistisch tijdschrift of boek waar het over Israël (en het Joodse volk) gaat, is er maar één eenduidende mening te bespeuren, namelijk dat Israël (of het hier nu weer om een Israëlische inval in Gaza gaat, of dat de VN weer een VN-resolutie tegen Isarël heeft uitgevaardigd, of dat er in de Tweede Kamer politici zijn die zeer kritisch staan tegenover de onmenselijke behandeling van de Palestjnen door Israël), altijd een eeuwig “onschuldig” lijkt te zijn. Het is namelijk altijd weer “die ander” die een “dader” zou zijn. Israël echter is volgens de christelijke zionistische visie altijd weer het onschuldige slachtoffer. En dat komt sowieso toch al zo vreemd over daar de Joodse leiders van Israël toch ook, net zoals wij allemaal, gevallen zondaars zijn. Worden christelijke zionistische leiders hierop echter aangesproken, dan zullen we steevast te horen krijgen dat ook Israël kan “zondigen.” Maar paradoxaal genoeg lijkt het dat Israël volgens hen nooit gezondigd lijkt te hebben: niet zondelooos maar wel schuldeloos! Wat die christelijke zionistische predikers, bijbelleraren, evangelisten, etc. nu maar niet in te lijken willen zien, is dat ze Israël hiermee als “God” beschouwen; alleen God is zondeloos en heilig. Zoals de apostel Paulus het in zijn Romeinenbrief uitdrukte:
“Maar het blijve: God waarachtig en ieder mens leugenachtig, gelijk geschreven staat: Opdat Gij gerechtvaardigd wordt in uw woorden, en overwint in uw rechtsgedingen.” (Romeinen 3:4)
Ja, “ieder mens leugenachtig”, en dit is ook van toepassing op Israël en wel met name Israël daar het de Palestijnen (Hamas) als “terroristen” beschouwt en zicnzelf altijd als het slachtoffer ziet, terwijl het juist altijd anders om geweest was (en dit nu nóg zo is!) Dit interesseert de christelijke zionisten echter niets en blijven ze Israël als “God” dus verafgoden en verheerlijken. Waardoor ze Israël dus als een afgod voor de wáre God hebben gezet! Terwijl een van de geboden van de Tien Woorden ook hen toch duidelijk zouden moeten zijn:
“Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben.” (Deuteronomium 5:7)
De vraag is nu nog alleen: wat zullen die christelijke zionisten later te horen krijgen als ook zij, eens voor de troon van Christus Jezus zullen staan? We weten het niet, maar Jezus zal hier ongetwijfeld weinig goeds over te zeggen hebben….