Vandaag zullen we beginnen met het Evangelie naar Johannes. We beginnen hier in hoofdstuk 10, vers 22:

En het was het feest van de inwijding van de tempel in Jeruzalem, en het was winter. En Jezus liep rond in de tempel, in de zuilengang van Salomo. De Joden dan omringden Hem en zeiden tegen Hem: Hoelang houdt U ons in het onzekere? Als U de Christus bent, zeg het ons vrijuit. Jezus antwoordde hun: Ik heb het u gezegd en u gelooft het niet. De werken die Ik doe in de Naam van Mijn Vader, die getuigen van Mij.” (verzen 22-25)

Hier zien we dat Jezus de uitzonderlijke wonderwerken onder de Joden deed om zo hen zo te bewijzen dat Hij de hen lang beloofde Messias was; “Messias” betekent immers “Christus.” Daarnaast had Jezus zoals we hier al zien, de Joden ook al gezegd dat Hij de Messias was. Dan gaan we nu verder:

“Maar u gelooft niet, want u bent niet van Mijn schapen, zoals Ik u gezegd heb. Mijn schapen horen Mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij. En Ik geef hun eeuwig leven; en zij zullen beslist niet verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze uit Mijn hand rukken. Mijn Vader, Die hen aan Mij gegeven heeft, is meer dan allen, en niemand kan hen uit de hand van Mijn Vader rukken. Ik en de Vader zijn één.” (verzen 26-30)

Niet-Christelijke Joden Niet het “Uitverkoren Volk van God.” 

We zullen hier even stil bij blijven staan. Want binnen het christelijk zionisme leert men dat de Joden alleen al door hun Joods-zijn het “uitverkoren volk van God” zouden zijn. Jezus maakte tegenover de Joden van Zijn tijd echter onomwonden duidelijk dat zij omdát zij niet in Hem als de Messias geloofden, niet tot Zijn schapen behoorden. En dus ook niet door God uitverkoren waren. Daarnaast zei Jezus hen ook nog dat Hij en en God de Vader één waren en dan samen ook een eenheid vormden. Let nu op de reactie van de Joden die zoals gezegd, niet in Hem geloofden en het antwoord van Jezus hierop:

“De Joden dan pakten opnieuw stenen op om Hem te stenigen. Jezus antwoordde hun: Ik heb u vele goede werken van Mijn Vader laten zien. Vanwege welk van die werken stenigt u Mij? De Joden antwoordden Hem: Wij stenigen U niet vanwege een goed werk, maar vanwege godslastering, namelijk omdat U, Die een Mens bent, Uzelf God maakt.” verzen 31-33)

Het was voor de Joden een aanstoot en een ergernis dat Jezus door Zich als één met God de Vader voor te stellen, Hij van Zichzelf zei, God te zijn; zij konden al niet geloven dat Hij de Messias/Christus was en nu Hij zich ook nog eens met God de Vader gelijkstelde, was voor hen de maat vol. En toch is het dat wat Jezus van Zichzelf zei; niet alleen de Vader was God, maar ook Jezus Zelf was God! En dit is natuurlijk ook met God de Heilige Geest het geval. Die was nog niet ten tonele verschenen omdat Jezus nog niet aan het kruis gestorven, begraven was; nadat Hij uit de dood was opgestaan, deelde Jezus Zijn discipelen mee dat Hij, na eenmaal ten hemel opgevaren te zijn, zij de Heilige Geest zouden ontvangen. (Handelingen 1:8) En dit nu brengt ons tot de:

Goddelijke Heilige Drie-Eenheid. 

Dat zowel de Vader als Jezus én de Heilige Geest één eenheid vormen, lezen we in 1 Johannes 5:

“Ieder die gelooft dat Jezus de Christus is, is uit God geboren; en ieder die Hem liefheeft Die geboren deed worden, heeft ook lief wie uit Hem geboren is. Hieraan weten wij dat wij de kinderen van God liefhebben, wanneer wij God liefhebben en Zijn geboden bewaren. Want dit is de liefde tot God, dat wij Zijn geboden in acht nemen; en Zijn geboden zijn geen zware last. Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning die de wereld overwonnen heeft: ons geloof. Wie anders is het die de wereld overwint dan hij die gelooft dat Jezus de Zoon van God is?” (verzen 1-5)

Hier zien we dat niet alleen de Vader, Jezus en de Geest een eenheid vormen, maar ook dat samen met deze Drie-Eenheid ook de Christenen die in deze eenheid geloven, samen één zijn. Met slechts – en hier moet de nadruk op worden gelegd – één verschil: daar waar de Vader, Jezus en de Geest samen God zijn, zijn wij die in hen geloven, géén God maar Zijn schepselen!

De Prosperity Teacher Creflo Dollar: God en “de Goden.” 

Dat we dit hier vermelden is belangrijk omdat er in delen van de charismatische beweging (eigenlijk de Word of Faith-Movement) geleerd wordt dat naast God ook de Christenen “God” zouden zijn. Creflo Dollar (een van de vele prosperity teachers binnen deze beweging had eens het volgende gezegd:

“We zijn gemaakt naar het beeld van God en bezitten daarom goddelijkheid in ons die ons in staat stelt, de welvaart die ons beloofd is, tot stand te brengen.” 

Wat hij hiermee eigenlijk mee wilde zeggen, is dat omdat wij naar het beeld van God geschapen zijn (wat op zichzelf juist is), wij, net zoals God eens de schepping tot stand bracht door slechts te spreken, ook wij konden spreken om de welvaart die ons in het vooruitzicht zou zijn gesteld, tot stand konden brengen. Hier hebben we dan de nu zo beruchte “Name it, claim it , possess it”- doctrine: een dictrine waarvan beweerd wordt dat we ons zowel materieel als financieel kunnen verrijken door de financiële en materiële midelen slechts tot aanzijn te spreken. Hierbij was het echter ook noodzakelijk om “een stap in het geloof” te doen, ook een (liefst flinke) donatie aan degene die deze leert bracht, tegeven! Maar dit heeft echter nooit gewerkt; de enigen voor wie die doctrine wél werkte, waren de prosperity teachers zelf. Door zo de gelovigen op een sluwe manier van hun ged te ontdoen, hadden ze zich intussen flink verrijkt! En… we zijn dan wel naar het beeld van God geschapen, maar dit maakt nog niet dat ook wij “goden” zouden zijn. Verder toont de Bijbel aan dat alleen de Vader, Jezus en de Geest samen God zijn.

Christus Jezus en de “Goden.” 

In verband hiermee is het belangrijk om weer terug te keren naar Johannes 10; we eindigden ermee dat de Joden tot Jezus zeiden dat zij Hem niet vanwege een goed werk wilde stenigen, maar omdat Hij zich met God gelijkgesteld had. Nu gaan we verder vanaf vers 34:

“Jezus antwoordde hun: Is er niet geschreven in uw wet: Ik heb gezegd: U bent goden? Als de wet hén goden noemde tot wie het Woord van God kwam, en aangezien de Schrift niet gebroken kan worden, zegt u dan tegen Mij, Die de Vder geheiligd en in de wereld gezonden heeft: U lastert God, omdat Ik gezegd heb: Ik ben Gods Zoon? Als Ik niet de werken van Mijn Vader doe, geloof Mij dan niet, maar als Ik ze doe en u Mij niet gelooft, geloof dan de werken, opdat u erkent en eglooft dat de Vader in Mij is en Ik in Hem. Zij probeerden dan opnieuw Hem te grijpen, maar Hij ontkwam aan hun handen.” (verzen 34-39)

Mozes als een “God.” 

Dat God tot de Joden dat ze “goden” waren, was waar. Maar over waarom Hij dit had gezegd, moet dit ook goed worden uitgelegd. We zullen hier eerst mee naar Exodus 4 gaan; in de vorige hoofdstukken van dit boek lezen we dat God er enige moeite mee had Mozes zover te krijgen om naar farao van Egypte te gaan om hem aan te zeggen dat het volk Israël, wat er toen in slavernij leefde, te laten gaan. Mozes vond onder meer dat hij toch niet goed kon spreken als hij eenmaal voor farao zou staan. Uiteindelijk werd God toornigMozes gaat pas dan op pad nadat God hem gezegd had dat de broer van Mozes, Aäron, hem hierbij zou vergezellen en hem bij zou staan. In de verzen 14-17 lezen we er dit:

“Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Mozes en Hij zei: Aäron, de Leviet, is toch uw broer? Ik weet dat hij uitstekend spreken kan. Bovendien, zie, hij trekt u tegemoet. Zodra hij u ziet, zal hij zich van harte verblijden. Dan moet u tot hem spreken en hem de woorden in zijn mond leggen. Ikzelf zal met uw mond en zijn mond zijn en u leren wat u doen moet. En híj zal voor u tot het volk spreken. Dan zal het zó zijn: Hij zal voor u tot een mond zijn en u zult voor hem tot een god zijn. Neem daarom deze staf in uw hand, waarmee u die tekenen moet doen.” 

Dan gaan we hiermee naar Exodus 7:1:

“Toen zei de HEERE tegen Mozes: Zie, Ik heb u voor de farao tot een god gemaakt en uw broer Aäron zal uw profeet zijn.” 

We zien dus hier dat God Mozes voor zowel het volk Israël als voor farao “tot een “god” had aangesteld. Maar dit betekent natuurlijk niet dat hij ook aan God gelijk werd! Wat dit eigenlijk zeggen wil, is dat God Mozes tot een richter had aangesteld om farao te manen het volk te laten gaan. In Exodus 18:13-27 lezen we dat toen de schoonvader van Mozes, Jethro, bij het volk Israël verbleef, zag dat Mozes van de morgen tot de avond recht aan het spreken was over bepaalde zaken onder het volk. Hij stelde toen voor om het voor Mozes allemaal wat lichter te maken, dat zijn schoonzoon er “bekwame mannen, godvrezende betrouwbare mannen, die een afkeer hebben van winstbejag” hier voor aan moest stellen; die zouden de kleinere zaken onder het volk behandelen en Mozes alleen de grotere zaken. Mozes doet dit ook, waarna Jethro weer terugkeert naar zijn land.

Richters als “Goden.” 

Het waren nu deze mannen die voortaan als richters recht zouden spreken onder het volk. In Exodus 21 gaat het over de relatie slaaf (dienaar) en zijn meester. Na zijn meester zes jaren te hebben gediend, mocht de slaaf in het zevende jaar vertrekken om weer in vrijheid te leven; maar als die slaaf (dienaar) duidelijk maakte dat hij het goed had gehad bij zijn meester en toch liever bij hem wilde blijven, “dan zal zijn heer hem bij de goden brengen, hij zal hem bij de deur of den deurpost brengen, en zijn heer zal zijn oor met een priem doorboren en hij zal hem voor altijd dienen.” (zie verzen 1-6 NBG-vertaling) Hier zien we dat de richters “goden” werden genoemd. In de Herziene Statenvertaling (HSV) die we hier bijna altijd aanhouden, is het woord “goden” hier gewoon met “rechters” vertaald, wat niet juist is. De oude Statenvertaling heeft hier in vers 6 het volgende:

“Zoo zal hem zijn heer tot de goden brengen, daarna zal hij hem aan de deur of aan den post brengen, en zijn heer zal hem met eenen priem zijn oor doorboren, en hij zal hem eeuwig dienen.” 

Door hier de term “goden” gewoon met “rechters” te vertalen, hebben de vertalers van de HSV hier eigenlijk een slechte dienst mee geleverd! Daarnaast hebben we nu al vele nieuwe Bijbelvertalingen zoals onder meer de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV). Daar is het nog erger mee gesteld:

“Mocht hij echter te kennen geven dat hij zo aan zijn meester en aan zijn vrouw en kinderen gehecht is dat hij niet als vrij man wil vertrekken, dan moet zijn meester hem naar het heiligdom brengen, hem tegen de deur of de deurpost zetten, en zijn oor met een priem doorboren. Hij blijft dan voorgoed zijn slaaf.” (Exodus 21:5-6)

Hier wordt de slaaf door zijn meester niet voor de “rechters” of “goden” geleid, maar in plaats daarvan “naar het heiligdom” gebracht. Dit kan alleen maar een moedwillig veranderen van woorden worden genoemd! Als dit met de modernisering van die vertalingen op dezelfde voet doorgaat zoals ook die NBV gemoderniseerd en vertaald is, dan zullen we er van de originele Bijbelvertaling nog maar weinig van terug vinden! Het uiteindelijke gevolg is dan dat we bepaalde zaken niet meer aan de Bijbel kunnen toetsen. En dan zal het wel heel erg lastig worden om er verkeerde leerstellingen mee te kunnen weerleggen! Maar dit even terzijde…

De Joden in de Tijd van Jezus Dachten Werkelijk “Goden” te Zijn. 

Dan komen we hier weer mee terug naar wat Jezus de Joden van Zijn tijd als “goden” vertelde. (Johannes 10:34-39) Waar Jezus met zijn woorden tegenover de Joden nu naar verwees, waren de woorden van Psalm  82. Daar staat namelijk het volgende:

“God staat in de vergadering Godes. Hij oordeelt in het midden der goden: hoe lang zult gijlieden onrecht oordeelen, en het aangezicht der goddelozen aannemen? Doet recht den arme en den wees, rechtvaardigt den den verdrukte en den arme, verlost den arme en den behoeftige, rukt hem uit der goddeloozen hand. Zij weten niets en verstaan niets, zij wandelen steeds in duisternis; dies wankelen alle fundamenten der aarde. Ik heb wel gezegd: Gij zijt goden, en gij zijt allen kinderen des Allerhoogsten: nochtans zult gij sterven als een mensch, en als een van de Vorsten zult gij vallen. Sta op, o God! oordeel het aardrijk, want Gij bezit alle natiën.” 

Wat hier nu duidelijk uit wordt, is dat de rechters onder de oude Israëlieten meenden letterlijk “goden” geworden te zijn. Dus niet alleen rechters als “goden”, maar werkelijk als “God” geworden waren! Dit blijkt dat God hen vertelde dat zij, ondanks dat ze dit dachten, zouden “sterven als een mensch.” En dit zal bij de Joden van de tijd van Jezus niet anders zijn geweest; Hij erkende dat zij inderdaad als “goden” (rechters) waren aangesteld, maar dat zij later evenals hun voorouders onder de rechters dit dachten, ook zíj nu als “God” geworden waren.

De Geschiedenis van de Blindgeboren Man, de Joden & de Farizeeën.

Dit komt vooral tot uiting in de geschiedenis van “De blindgeborene.” (Johannes 9) Jezus heeft daar een man genezen die vanaf zijn geboorte blind was geweest. Nadat zijn buren gemerkt hadden dat hij genezen was, brachten zij hem voor de Farizeën. Die vroegen hem hoe zijn ogen weer geopend waren. Hij zei hen dat het Jezus geweest was die dit gedaan had. Maar de Farizeeën waren van mening dat Jezus de voormalige blinde man op een sabbat genezen had, niet van God afkomstig kon zijn. Ze werden onder elkaar hierbij verdeeld. En:

“Zij dan zeiden nog eens tot den blinde: Wat zegt gij van Hem, daar Hij uw ogen geopend heeft? En hij zeide: Hij is een profeet. De Joden dan geloofden niet van hem, dat hij blind was geweest en ziende geworden was, totdat zij de ouders geroepen hadden van hem, die ziende was geworden, en zei vroegen hun en zeiden: Is dit uw zoon, van wien gij zegt, dat hij blind geboren is? Hoe kan hij dan nu zien? Zijn ouders antwoordden en zeiden: Wij weten, dat dit onze zoon is, en dat hij blind geboren is; maar hoe hij nu zien kan, weten wij niet, en wie zijn ogen geopend heeft, wij weten het niet; vraagt het hemzelf, hij heeft zijn leeftijd; hij zal voor zichzelf spreken. Dit zeiden zijn ouders, omdat zij bang waren voor de Joden, want de Joden waren reeds overeengekomen, dat, indien iemand mocht belijden dat Hij de Christus was, hij uit de synagoge zou worden gebannen. Daarom zeiden zijn ouders: Hij heeft zijn leeftijd, vraagt het hemzelf.” (verzen 17-23 NBG-vertaling)

Als (letterlijke) “goden” hadden de Joden er in die tijd een absolute macht over het gewone Joodse volk. Zozeer zelfs dat de ouders van de blindgeboren zoon te bevreesd voor hen waren om ook maar toe te geven dat het Jezus was geweest Die hem genezen had! Dan wordt de (voorheen) blind geboren man wéér voor de Farizeeën geroepen; ze zeiden hem God de eer te geven en dat ze wisten dat Jezus een zondaar moest zijn. En:

“Hij dan antwoordde: Of Hij een zondaar is, weet ik niet; één ding weet ik, dat ik, die blind was, nu kan zien.”

En op de vraag, wat Jezus nu aan zijn ogen gedaan had om hem te genezen, zei de man het volgende:

“Ik heb het u al gezegd, en gij hebt er niet naar gehoord; waarom wilt gij het opnieuw horen? Wilt gij soms ook discipelen van Hem worden?”

De (heftige) reactie van de Farizeeën en de tegenreactie van de man:

“En zij scholden hem uit en zeiden: Gij zijt een discipel van Hem, maar wij zijn discipelen van Mozes; wij weten, dat God tot Mozes gesproken heeft, maar van dezen weten wij niet, vanwaar Hij komt. De man antwoordde en zeide tot hen: Hierin is toch iets wonderlijks, dat gij niet weet, vanwaar Hij komt, maar mijn ogen heeft Hij geopend. Wij weten, dat God naar zondaars niet hoort, maar is iemand godvruchtig, en doet hij zijn wil, dien verhoort Hij. Van eeeuwigheid is het niet gehoord, dat iemand de ogen van een blindgeborene geopend heeft. Als deze niet van God was gekomen, Hij had niets kunnen doen. Zij antwoordden en zeiden tot hem: Gij zijt geheel in zonde geboren en wilt gij ons leren? En zij wierpen het uit.” (verzen 25-34)

Niet alleen was Jezus een zondaar in de ogen van de Farizeeën, ook de man zelf was volgens hen “geheel in zonde geboren”, en nu wilde deze man hen die meenden “God” en dus geheel rein en zonder zonde te zijn, hen even de les lezen!

Farizeeën Meenden te Kunnen Zien. Ze Hadden geen Zonden van Zichzelf en Waren Dus Even Rein als God.

Later werd de man door Jezus opgevangen, “en Hij zeide, toen Hij hem aantrof: Gelooft gij in den Zoon des mensen? Hij antwoordde en zeide: En wie is Hij Here, dat ik in Hem moge geloven? Jezus zeide tot hem: Gij hebt Hem niet slechts gezien, maar die met hem spreeekt, die is het. Hij zeide: Ik geloof, Here, en hij wierp zich voor Hem neder. En Jezus zeide: Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen, opdat wie niet zien, zien mogen, en wie zien, blind worden.” (verzen 35-39)

Wat Jezus hiermee bedoelde te zeggen, was dat degenen die (geestelijk) blind waren, zouden gaan zien dat Jezus, net zoals deze nu voorheen blinde man dit was gaan zien, de Messias en de Redder van het Joodse volk en de mensheid was. Hun (geestelijke) ogen werden ervoor geopend zodat zij waren gaan zien dat ze verlossing van zonden nodig hadden, waarna ze in waren gaan zien dat alleen Jezus hen ervan kon redden. Degenen die in tegenstelling met deze man en de mensen meenden te “zien”, dachten van zichzelf rein van zonden te zijn en meenden Jezus als Verlosser dan ook niet nodig te hebben. Wat Jezus nu had gezegd, hadden ook de Farizeeën gehoord:

“Dit hoorden sommigen uit de Farizeeën, die bij Hem waren, en zei zeiden tot Hem: Zijn wij soms ook blind? Jezus zeide tot hen: Indien gij blind waart, zoudt gij geen zonde hebben; maar nu zegt gij: Wij zien; daarom blijft uw zonde.” (verzen 40-41)

Met de woorden “Zijn wij soms ook blind?”, maakten die Farizeeën Jezus duidelijk dat ook zij meenden volkomen rein van zonden te zijn en Hem als Verlosser toch niet nodig te hebben. Zouden zij nu (geestelijk) “blind” zijn geweest door te erkennen dat ook zij slechts gevallen zondaars waren en erkend hadden Jezus nodig te hebben voor de verlossing van hun zonden, zouden de Farizeeën geen zonde hebben. Doordat alleen zij rein van zonden en dus als “God” meenden te zijn, bleef hun zonde op hen!

Die Vervloekte Menigte!

Dat de Farizeën wat reinheid en volmaaktheid betreft, boven de rest van het Joodse volk verheven meenden (en dus als geheel “God”) te zijn, kwan tot uiting in hun woorden:

“Maar die schare, die de wet niet kent, vervloekt zijn zij!” (Johannes 7:49)

Het is dan ook niet vreemd dat Jezus in die tijd een grote aanhang had gekregen; het waren niet allleen de opzienbarende wonderen die Hij onder het volk deed; het zal voornamelijk Zijn grote liefde voor het volk zijn geweest die Hem zoveel volgelingen opgeleverd had; een ware liefde die er bij de Farizeeën echter volkomen afwezig was.

Christelijke Zionisten Leren: Israël is “God.” 

Dan willen we in verband hiermee nog even iets over de christelijke zionisten zeggen: In elk christelijk-zionistisch tijdschrift of boek waar het over Israël (en het Joodse volk) gaat, is er maar één eenduidende mening te bespeuren, namelijk dat Israël (of het hier nu weer om een Israëlische inval in Gaza gaat, of dat de VN weer een VN-resolutie tegen Isarël heeft uitgevaardigd, of dat er in de Tweede Kamer politici zijn die zeer kritisch staan tegenover de onmenselijke behandeling van de Palestjnen door Israël), altijd een eeuwig “onschuldig” lijkt te zijn. Het is namelijk altijd weer “die ander” die een “dader” zou zijn. Israël echter is volgens de christelijke zionistische visie altijd weer het onschuldige slachtoffer. En dat komt sowieso toch al zo vreemd over daar de Joodse leiders van Israël toch ook, net zoals wij allemaal, gevallen zondaars zijn. Worden christelijke zionistische leiders hierop echter aangesproken, dan zullen we steevast te horen krijgen dat ook Israël kan “zondigen.” Maar paradoxaal genoeg lijkt het dat Israël volgens hen nooit gezondigd lijkt te hebben: niet zondelooos maar wel schuldeloos! Wat die christelijke zionistische predikers, bijbelleraren, evangelisten, etc. nu maar niet in te lijken willen zien, is dat ze Israël hiermee als “God” beschouwen; alleen God is zondeloos en heilig. Zoals de apostel Paulus het in zijn Romeinenbrief uitdrukte:

“Maar het blijve: God waarachtig en ieder mens leugenachtig, gelijk geschreven staat: Opdat Gij gerechtvaardigd wordt in uw woorden, en overwint in uw rechtsgedingen.” (Romeinen 3:4)

Ja, “ieder mens leugenachtig”, en dit is ook van toepassing op Israël en wel met name Israël daar het de Palestijnen (Hamas) als “terroristen” beschouwt en zicnzelf altijd als het slachtoffer ziet, terwijl het juist altijd anders om geweest was (en dit nu nóg zo is!) Dit interesseert de christelijke zionisten echter niets en blijven ze Israël als “God” dus verafgoden en verheerlijken. Waardoor ze Israël dus als een afgod voor de wáre God hebben gezet! Terwijl een van de geboden van de Tien Woorden ook hen toch duidelijk zouden moeten zijn:

“Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben.” (Deuteronomium 5:7)

De vraag is nu nog alleen: wat zullen die christelijke zionisten later te horen krijgen als ook zij, eens voor de troon van Christus Jezus zullen staan? We weten het niet, maar Jezus zal hier ongetwijfeld weinig goeds over te zeggen hebben….

Recent hadden we de Pinksterdagen weer achter de rug. Nu zijn er veel mensen die niet precies meer weten, wat de betekenis van dit Pinksterfeest is. Het gaat hier namelijk over een bijzondere Pinksterdag waarop de discipelen/apostelen van Jezus de Heilige Geest ontvingen. (zie Handelingen 2:1-13)

Het “Spreken in Vreemde Talen” versus het “Spreken in (Nieuwe) Charismatische “Tongen.”   Voor we verder gaan, moeten we eerst het volgende vaststellen: het “spreken in vreemde talen” zoals we dit in Handelingen 2 beschreven zien, verschilt totaal met het “spreken in (nieuwe) charismatische “tongen” zoals dit in de charismatische beweging wordt geleerd: het gaat hier immers niet om een soort van “onverstaanbaar gebrabbel” zoals dit in charismatische kerken wordt geleerd, maar om werkelijk bestaande, aardse talen, die door de omstanders uit den vreemde konden worden verstaan en begrepen: 

“en zij” de toehoorders) “waren allen buiten zichzelf en verwonderden zich, en zij zeiden tegen elkaar: Zie, zijn het niet allen Galileeërs die daar spreken? En hoe kunnen wij hen dan horen, eenieder in onze eigen taal, waarin wij geboren zijn?” (Handelingen 2:7-8)

Zowel de Joodse Apostelen als de Eerste Heidenen Ontvingen de Heilige Geest Zonder oplegging van Handen. 

Wat verder opvalt, is het volgende: Zowel de Joodse apostelen als de eerste heidenen ontvingen de Heilige Geest zonder oplegging van handen. Bij andere gelegenheden ontvingen mensen de Geest via handoplegging. (Handelingen 8:14-17, 19:1-7) Wat nu de eerste heidenen (niet-Joden) betreft, waren dit de Romeinse commandant Cornelius, zijn familie en beste vrienden, nadat de apostel Petrus bij Cornelius ontboden was om hen het Evangelie te verkondigen:

“Terwijl Petrus deze woorden nog sprak, viel de Heilige Geest op allen die het Woord hoorden. En de gelovigen die van de besnijdenis waren, zovelen als er met Petrus waren meegekomen, waren buiten zichzelf dat de gave van de Heilige Geest ook op de heidenen uitgestort werd, want zij hoorden hen spreken in vreemde talen en God grootmaken.” (verzen 44-46)

Geen Verschil Tussen Joden en Heidenen. 

Wat God hier wat de Joodse apostelen en de Romeinse heidenen betreft nu duidelijk mee wilde maken was, dat er geen verschil tussen Joden en heidenen was. Om Petrus daarvan ook te overtuigen, had Hij hem tijdens zijn gebed op het dak van het huis van Simon de leerlooier waar hij toen verbleef, het bekende visioen met het laken en verschillende dieren laten zien; volgens de Joodse wet mochten die niet worden gegeten. (Handelingen 10:9-17) Aanvankelijk begreep Petrus helemaal niets van dit visioen. (vers 17) Later echter, nadat hij bij Cornelius aangekomen was, begreep de apostel dit wél, toen hij tegen de Romeinse commandant het volgende zei:

“U weet dat het een Joodse man niet toegestaan is om met iemand van een ander volk om te gaan of bij hem binnen te gaan; maar God heeft mij laten zien dat ik geen mens onheilig of onrein mag noemen. Daarom ben ik ook zonder tegenspreken, toen ik ontboden werd. Dus vraag ik om welke reden u mij ontboden hebt.” (verzen 28-29)

Hier zien we dat zowel Joden als heidenen voor God gelijk zijn; niemand is er méér of minder om! En hier zien we tegelijkertijd ook dat waar de apostel Paulus in zijn zendbrief aan de Efeziërs zou schrijven:  namelijk dat de scheidsmuur die scheiding tussen Joden en heidenen maakte, door de dood en de opstanding van Jezus afgebroken was. (Efeziërs 2:11-22) Het dient hier duidelijk te worden gemaakt dat het in Efeziërs 2 om de Kerk gaat en niet louter om “het Joodse volk” of “Israël.”

“Het Joodse Volk” & de “Gelovigen-Uit-De-Heidenen”: een (Joodse) Fabel. 

Wat we hiermee eveneens goed duidelijk willen maken, is dat er niet zoiets is als het “Joodse volk” en de “Gelovigen-uit-de-heidenen.” Deze doctrine wordt voornamelijk (zo niet alleen) binnen de christen-zionistische beweging geleerd. Dit verschil wat er volgens de christen-zionisten zou zijn, wordt door hen ook nog eens extra benadrukt door dat zij over bekeerde Joden als “Messias-belijdende Joden” of Messiaanse Joden” spreken. Dit zijn echter termen die geen enkele betekenis hebben: zowel Joden als heidenen zijn één in Christus Jezus en zijn beiden daarom dan ook Christenen. De christen-zionistische doctrine kan dan ook alleen maar als een Joodse fabel worden beschouwd!

Jezus, de Farizeeën & de Scheidbrief. 

In dit geval kunnen we iets leren van de geschiedenis over de Farizeeërs, die om Jezus in verzoeking te brengen, het over de scheidbrief hadden:

“En de Farizeeën kwamen naar Hem toe om Hem te verzoeken en zeiden tegen Hem: Is het een man toegestaan zijn vrouw om allerlei redenen te verstoten? En Hij antwoordde en zei tegen hen: Hebt u niet gelezen dat Hij Die de mens gemaakt heeft, hen van het begin af mannelijk en vrouwelijk gemaakt heeft, en gezegd heeft: Daarom zal een man zijn moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten, en die twee zullen tot één vlees zijn, zodat zij niet meer twee zijn, maar één vlees? Dus, wat God samengevoegd heeft, laat de mens dat niet scheiden.” (Mattheüs 19:3-6)

Bouw de door Jezus Afgebroken Scheidsmuur Weer Niet Op!

Welnu, net zoals God man en vrouw door het door Hem ingestelde huwelijk samen één heeft gemaakt, zo heeft Hij dit door Jezus ook met de gelovige Joden en gelovige niet-Joden (heidenen) gedaan; beiden zijn één in Christus! Doordat men binnen de christen-zionistische beweging toch spreekt van het Joodse volk versus de gelovigen-uit-de-heidenen, hebben zij in hun voorliefde voor Israël en het Joodse volk niet door dat zij hiermee de scheidsmuur die Jezus afgebroken had, in zekere zin zo weer opbouwen! En dat is volkomen verkeerd. Bouw daarom de door Jezus afgebroken scheidsmuur niet weer op door verschil te maken tussen Joden en heidenen! 

“Want u bent allen kinderen van God door het geloof in Christus Jezus. Want u allen die in Christus gedoopt bent, hebt zich met Christus bekleed. Daarbij is het niet van belang dat men Jood is of Griek; daarbij is het niet van belang dat men slaaf is of vrije; daarbij is het niet van belang dat men man is of vrouw; want allen bent u één in Christus Jezus. En als u van Christus bent, dan bent u Abrahams nageslacht en overeenkomstig de belofte erfgenamen.” (Galaten 3:26-29)

De zogenaamde vervangingsleer; hier is al voor lange tijd nogal wat om te doen geweest. En vandaag de dag gaan de discussies hieromtrent nog voort. Waarschijnlijk is het het meest vreselijke wat je tegen Christenen die Israël bovenmate liefhebben (voornamelijk christenzionisten die een welhaast fanatieke voorliefde voor Israël vertonen) kunt zeggen, is dat als zou de Kerk, de Gemeente van Christus Israël als de uitverkorene van God zou hebben vervangen. Ofwel, die zou in de plaats van Israël gekomen zijn.

Jezus & Zijn Parabel Ofwel “De Gelijkenis Van de Onrechtvaardige Pachters.” 

Maar wat leert nu de Bijbel? Vele Christenen gaan hoofzakelijk (zo niet alleen) op boeken en/of artikelen af die door voornamelijk christenzionisten geschreven zijn. Hierin wordt de vervangingsleer volkomen verfoeid en er zijn er zelfs die ervan overtuigd zijn dat die leer aan “antisemitisme” zou grenzen. Degenen die deze boeken/artikelen lezen, namen de overtuiging van wat er over geschreven staat, zonder omhaal en kritiekloos over en sommigen van hen verkondigden die dan weer aan anderen. Die anderen namen dit alles weer, zonder er eens (kritisch) onderzoek naar te doen, over en vertelden er op hun beurt weer anderen over. Dit is zo doorgegaan totdat dat wat zij geloofden, intussen doorgedrongen is in verschillende kerken. Om nu te weten of die vervangingsleer nu op waarheid berust of niet, zullen we om dit vast te stellen, ergens in de Bijbel moeten beginnen. En het zou dan ook goed zijn om hiermee eens bij de bekende parabel van Jezus ofwel “De gelijkenis van de onrechtvaardige pachters” in Mattheüs 21 te beginnen. Dit was een van de gelijkenissen die Jezus tegen de overpriesters en de Farizeeën vertelde. We beginnen bij vers 33:

“33 Hoort een andere gelijkenis. Er was een heer des huizes, die een wijngaard plantte, en er een heg omheen zette, en er een wijnpers on groef en een toren bouwde; en hij verhuurde dien aan pachters en ging buitenslands. 34 Toen nu de tijd der vruchten naderde, zond hij zijn slaven naar die pachters om zijn vruchten in ontvangst te nemen. 35 Maar de pachters grepen zijn slaven, sloegen den enen, doodden den anderen en stenigden een derden. 36 Hij zond weder andere slaven, nog meer dan eerst, en zij behandelden hen op dezelfde wijze. 37 Ten laatste zond hij zijn zoon tot hen, zeggende: Mijn zoon zullen zij ontzien. 38 Maar toen de pachters den zoon zagen, zeiden zij tot elkander: Dit is de erfgenaam, komt. late wij hem doden om zijn erfenis aan ons te brengen. 39 En zij grepen hem en wierpen hem buiten den wijngaard en doodden hem. 40 Wanneer nu de heer van den wijngaard komt, wat zal hij met die pachters doen? 41 Zij zeiden tot Hem: Een kwaden dood zal hij dien kwaden doen sterven en den wijngaard zal hij verhuren aan andere pachters, die hem de vruchten op tijd zullen afleveren. 42 Jezus zeide tot hen: Hebt gij nooit gelezen in de Schriften: De steen, dien den bouwlieden, deze is tot een hoeksteen geworden; van den Here is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen? 43 Daarom, Ik zeg u, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden en het zal gegeven worden aan een volk dat de vruchten daarvan opbrengt. 44 En wie op dezen steen valt, zal verpletterd worden, en op wien hij valt, dien zal hij vermorzelen. 45 En toen de overpriesters en de Farizeeën zijn gelijkenissen hadden gehoord, begrepen zij, dat Hij hen bedoelde. 46 En hoewel zij Hem trachtten te grijpen, vreesden zij de scharen, daar die Hem voor een profeet hielden.” 

De Houding van Israël Tegenover de Profeten God in de Tijd van Vóór de Babylonische Ballingschap. 

In deze gelijkenis van Jezus vertegenwoordigden de pachters het oude volk Israël; de slaven waren een beeld van de profeten Gods. Jezus maakte de overpriesters en de Farizeeën zo duidelijk dat Israël en zij de profeten Gods al die tijd weerstaan hadden. De zoon waarover Jezus sprak, was een beeld van Hemzelf en de heer des huizes vertegenwoordigde God de Vader Zelf. Dat het oude Israël de profeten Gods al veel eerder had weerstaan, lezen we elders, in het Oude Testament, en wel enige tijd vóór de Babylonische Ballingschap. In het Bijbelboek 2 Kronieken 36 lezen we namelijk dat Zedekia, die tot dan toe de laatste koning van Juda zou zijn, zich weigerde te verootmoedigen “voor den profeet, die in opdracht van den Here sprak.” Ook de leiders, de priesters en het volk weigerden tot inkeer te komen en pleegden ontrouw aan God door de gruwelijke gewoonten der heidenvolken rondom hen over te nemen om die te doen. (verzen 11-14) In die tijd had Nebukadnezar, de koning van Babel, al de heerschappij over Israël daar de hij Zedekia in de plaats van Jojachin had aangesteld. Daarvoor had Egypte er enige tijd de heerschappij over Israël gehad. (verzen 3-10) We beginnen hier vanaf vers 15:

“De Here, de God hunner vaderen, zond wel zijn boden tot hen, vroeg en laat, want Hij ontfermde zich over zijn volk en zijn woning, maar zij bespotten de boden Gods, verachtten zijn woorden en hoonden zijn profeten, totdat de gramschap des Heren zich zozeer tegen zijn volk verhief, dat geen herstel meer mogelijk was. Hij deed den koning der Chaldeeën tegen hen optrekken, deze doodde hun jongelingen met het zwaard in hun heiligdom, en hij spaarde jongeling noch maagd, oude noch grijsaard.; alles gaf Hij in zijn macht. Al het gerei van het huis Gods, het grote en het kleine, de schatten van het huis des Heren en de schatten van den koning en van zijn vorsten, alles bracht hij naar Babel. Zij verbrandden het huis Gods en braken den muur van Jerizalem af; al zijn paleizen verbrandden zij met vuur en alle kostbaarheden vernietigden zij. Ook voerde hij hen die aan het zwaard ontkomen waren, naar Babel, en zij werden hem en zijn zonen tot slaven, totdat het koninkrijk van Perzië de heerschappij verkreeg; – om het woord des Heren, door Jeremia verkondigd, in vervulling te doen gaan: totdat het land zijn sabbatsjaren vergoed gekregen heeft. Al de dagen die het woest lag, heeft het gerust, om zeventig jaar vol te maken.” (verzen 15-21) En in de daaropvolgende verzen 22-23 lezen we dat de koning van Perzië Israël toestemming gaf om overeenkomstig het bevel Gods weer naar het land terug te keren en Jeruzalem en de tempel te herbouwen.

De Woorden van God Door de Profeet Mozes. 

Dan gaan we hiermee naar het Bijbelboek Leviticus. Tijdens de reis door de woestijn naar het land had Mozes, de aanvoerder van Israël en de profeet van God het volk onder meer zowel de zegen als de vloek voorgehouden: zegen bij gehorzaamheid aan God (Leviticus 26:1-13), rampen, grote tegenslagen en verdrukking bij (langdurige) ongehoorzaamheid aan God. (Leviticus 26:14-46) Toen al had God door Mozes geprofeteerd dat als het volk Israël God geduriglijk ongehoorzaam zou zijn, dat het dan ooit eens in ballingschap zou gaan, Eenmaal in den vreemde zou het dan wegkwijnen. Maar ook dan was alle hoop nog niet verloren:

“Maar belijden zij dan hun ongerechtigheid en die hunner vaderen, in de ontrouw waarmede zij tegen Mij ontrouw zijn geweest, en ook dat zij zich tegen Mij verzet hebben, – ook Ik verzette mij tegen hen en bracht hen in het land hunner vijanden – of vernedert zich dan hun onbesneden hart en boeten zij dan hun ongerechtigheid, dan zal Ik ik mijn verbond met Jakob gedenken; ook mijn verbond met Isaäk en ook mijn verbond met Abraham zal Ik gedenken, en Ik zal het land gedenken. Maar het land zal door hen verlaten worden en het zal zijn sabbatsjaren vergoed krijgen, terwijl het verwoest ligt zonder hen, en zij zullen hun ongerechtigheid boeten, omdat, ja, omdat zij mijn verordeningen versmaadden en van mijn inzettingen een afkeer hadden.” (verzen 40-43)

Eerst Belijdenis van Zonden & Bekering. Daarna Terugkeer naar het Land. 

En deze profetie over de toen nog toekomstige ballingschap is zoals we in 2 Kronieken 36 gezien hebben, volkomen in vervulling gegaan. We hebben ook gezien dat er eens een einde aan de ballingschap in Babel zou komen; uiteindelijk zou Kores, de Koning van Perzië het volk Israël in opdracht van God toestemming geven naar het land terug te keren. Welnu, uit de verzen in Leviticus die over de belijdenis van de ongerechtigheden van het volk spreken, kan hier alleen maar van worden afgeleid dat, vóórdat Kores zijn decreet tot toestemming voor de terugkeer naar het land, het volk eerst haar zonden beleden moet hebben en vervolgens weer tot bekering gekomen moet zijn! Daarna dan het decreet van Kores en daarna werd het volk onder leiding van de profeten Ezra en Nehemia naar het land geleid. Dit lezen we in de daaropvolgende Bijbelboeken Ezra en Nehemia. Zou het volk haar zonden niet hebben beleden, dan zou het waarschijnlijk in ballingschap gebleven zijn. Zover zou het echter niet komen: al tijdens de reis door de woestijn liet God door Mozes doorschemeren dat Hij al voorzien had dat het volk, intussen al enige tijd in den vreemde, hun zonden zou belijden!

Aanvulling van de Verzen 44-46. 

Dan zullen we hier nog de verzen 44-46 uit Leviticus er bij aanvullen:

“Maar ook zelfs, wanneer zij in het land hunner vijanden zijn, versmaad Ik hen niet en heb Ik geen afkeer van hen, zodat Ik hen zou vernietigen en mijn verbond met hen verbreken: want Ik ben de Here, hun God. Maar Ik zal hun ten goede gedenken het verbond met hun voorvaderen, die Ik voor de ogen der volken uit het land Egypte heb geleid, om hun tot een God te zijn. Ik ben de Here. Dit zijn de inzettingen en verordeningen en wetten, die de Here gegeven heeft tussen Zich en de Israëlieten op de berg Sinaï, door den dienst van Mozes.” 

Leviticus 26:30. 

Dan gaan we in verband hiermee naar vers 30 van Leviticus 26:

“En uw hoogten zal Ik verwoesten en uw wierookaltaren uitroeien. Ik zal uw lijken werpen op de lijken uwer afgoden en Ik zal een afkeer van u hebben.” 

Dit lijkt in tegenspraak te zijn met die verzen waarin God zegt dat als het volk Israël in den vreemde zou zijn, Hij hen niet zou versmaden en juist geen afkeer van hen zou hebben. Maar dit is niet zo; het zal misschien al wel duidelijk zijn dat nadat het volk in de vreemde eenmaal haar zonden zou hebben beleden en tot inkeer gekomen te zijn, God dan geen afkeer meer van hen zou hebben! Aldus zou God het verbond met de vaderen van het volk Israël hen ten goede gedenken.

Profetie over de Verwoesting van Jeruzalem. 

Laten we nu terugkeren naar Mattheüs 21 waarbij we hier nu alleen de verzen 40-41 zullen citeren. Jezus vroeg aan de overpriesters en de Farizeeën: “Wanneer nu de heer van den wijngaard komt, wat zal hij met die pachters doen? Zij zeiden tot Hem: Een kwaden dood zal hij die kwaden doen sterven en den wijngaard zal hij verhuren aan andere pachters, die hem de vruchten op tijd zullen afleveren.”

Wat we hier zien, is dat de overpriesters en Farizeeën met hun antwoord op de vraag van Jezus er eigenlijk hun eigen ondergang meer voorzegd hadden (ook al beseften zij dit op dat moment niet!) Jezus liet dit al blijken tegenover Zijn discipelen:

“Em toen sommigen van den tempel zeiden, dat hij met schone stenen en wijgeschenken versierd was, sprak Hij: Wat gij daar aanschouwt – er zullen dagen komen, waarin geen steen op den anderen gelaten zal worden, die niet zal worden weggebroken.” (Lucas 20:5)

Dan gaan we hiermee een stuk vooruit en vervolgen we vanaf vers 20:

“Zodra gij nu Jeruzalem door legerkampen omsingeld ziet, weet dan, dat zijn verwoesting nabij is. Laten dan die in Judéa zijn, vluchten naar de bergen, en die binnen de stad zijn, de wijk nemen, en die op het land zijnm er niet binnengaan, want dit zijn de dagen van vergelding, waarin alles wat geschreven is, in vervulling gaat. Wee den zwangeren en den zogenden in die dagen! Want er zal grote nood zijn over het land en toorn over dit volk, en zij zullen vallen door de scherpte des zwaards en als gevangenen weggevoerd worden onder alle heidenen, en Jeruzalem zal door heidenen vertrapt worden totdat de tijden der heidenen zullen vervuld zijn.” (verzen 20-24)

Zo zien we dat het hier om de verwoesting van Jeruzalem ging.

Waarom Nu Die “Dagen van Vergelding” & “Toorn over dit Volk”? 

De vraag nu is deze: waarom sprak Jezus over de verwoesting van Jeruzalem als de “Dagen van vergelding” en “toorn over dit volk”? Die vraag wordt beantwoord door de verzen 12-19 die er aan vooraf gaan:

“Maar vóór dit alles zullen zij de handen aan u slaan en u vervolgen, door u over te leveren in de synagogen en gevangenissen, en u voor stadhouders en koningen te leiden om mijn naams wil. Het zal voor u hierop uitlopen, dat gij zult getuigen. Neemt u daarom in uw hart voor, niet vooraf te bedenken, hoe gij u zult verdedigen. Want Ik al u mond en wijshied geven, welke al uw tegenstanders niet zullen kunnen weerstaan of weerleggen. En gij zult overgeleverd worden zelfs door ouders en broeders en verwanten en vrienden, en zij zullen sommigen van u doden, en gij zult door allen gehaat worden om mijn naams wil. Doch geen haar van uw hoofd zal teloor gaan; door uw volharding zult gij uw leven verkrijgen.” 

En met deze verzen is de vraag beantwoord: Omdat het “oude Israël” nu het “nieuwe Israël” (samengesteld uit de discipelen van Jezus, ook wel de Kerk genaamd) tot dan toe zo zwaar vervolgd had, liet God die “dagen van vergelding” en Zijn “toorn over dit volk” komen! En het is nu dit “nieuwe Israël” de Kerk) aan welke God nu (na het van de overpriesters en de Farizeeën te hebben afgenomen), Zijn Koninkrijk Gods geschonken had. Het “oude Israël” dat dit nu in de gaten had gekregen, was om die reden dan ook met de vervolging van de Kerk begonnen. Zie hier de door (voornamelijk de christenzionisten) zo verfoeide vervangingsleer vervuld!

…”Omdat Gij Den Tijd Niet Hebt Opgemerkt Dat God Naar U Omzag.” 

Dan gaan we hiermee naar Lucas 19:41-44, waar we het volgende lezen:

“En toen Hij nog dichterbij gekomen was en de stad zag, weende Hij over haar, en zeide: Och, of gij ook op dezen dag verstondt wat tot uw vrede dient; maar thans is het verborgen voor uw ogen. Want er zullen dagen over u komen, waarin uw vijanden een bolwerk tegen u zullen opwerpen en u van alle zijden in het nauw brengen, en zij zullen u en uw kinderen in u vertreden en zij zullen in u geen steen op den anderen laten, omdat gij den tijd niet hebt opgemerkt, dat God naar u omzag.” 

Het Gelovig Overblijfsel Had De Tijd Dat God Naar Hen Omzag Wél Opgemerkt. 

Met de woorden dat Jeruzalem de tijd dat God naar haar omzag niet had opgemerkt, maakte Jezus duidelijk dat God naar Jeruzalem omgezien had door haar Jezus Zelf te zenden. Maar de stad (en een meerderheid van het Joodse volk had Hem als Messias en Verlosser afgewezen en verworpen; om die reden zouden haar vijanden (de Romeinen) de stad later belegeren, innemen en volkomen verwoesten. Hierbij zouden de inwoners er door de Romeinse legers op guwelijke wijze om het leven worden gebracht! Er was naast de meerderheid die Jezus had verworpen, ook een “gelovig Joods overblijfsel” wat de tijd dat God naar hen omzag, echter wel opgemerkt had; dit lezen we in Romeinen 11:1-5; de apostel Paulus zegt daar nameljk het volgende over:

“Ik vraag dan: God heeft zijn volk toch niet verstoten? Volstrekt niet! Ik ben immers zelf een Israëliet, uit het nageslacht van Abraham, van den stam Benjamin. God heeft zijn volk niet verstoten, dat Hij tevoren gekend heeft. Of weet gij niet wat het schriftwoord zegt in de geschiedenis van Elia, als hij Israël bij God aanklaagt: Here, uw profeten hebben zij gedood, uw altaren hebben zij omvergehaald; ik ben alleen overgebleven en mij staan zij naar het leven. Maar wat zegt de godsspraak tot hem? Ik heb Mij zeven duizend man doen overblijveven, die hun knie voor Baäl niet hebben gebogen. Zo is er dan ook in den tegenwoordigen tijd een overblijfsel gelaten naar de verkiezing der genade.” 

Paulus vraagt hier 1), of God Zijn volk niet heeft verstoten. Dan zegt hij dat hij 2), (als Christen) “….zelf een Israëliet, uit het nageslacht van Abraham, van den stam Benjamin” is. En 3), verder maakte hij duidelijk dat er in de tijd van de profeet Elia sprake was van een massale geloofsafval onder de Israëlieten van die tijd. God stelde Elia echter gerust door te stellen dat er ondanks die geloofsafval, Hij er zevenduizend mannen als een “Oud-Testamentisch gelovig overblijfsel” bewaard had, wat niet van Hem afvallig geworden was. En net zoals het toen was, zo maakte dde apostel duidelijk, was het ook nu; want “Zo is er dan ook in dezen tijd een overblijfsel gelaten naar de verkiezing der genade.” In dit laatste geval ging het om een overblijfsel wat Christus Jezus als haar Messias en Redder geaccepteerd had! Bij de woorden God heeft zijn volk toch niet verstoten?”, kijken christenzionisten naar de huidige staat Israël en zeggen dan, “Zie je wel? God heeft Zijn volk niet verstoten!” Waarna ze er de vier daaropvolgende verzen dan niet bij lezen. Maar dat is wat er hier nu net niet mee wordt bedoeld; het gaat hier om een gelovig Joods overblijfsel wat de tijd dat God naar hen omgezien had, dit wél hadopgemerkt en Christus als de Messias geaccepteerd hadden; Paulus (die eerder nog de grootste kerkvervolger van zijn tijd was (zie Galaten 1:13), was er later aan dit overblijfsel toegevoegd. En zij vormden nu het “nieuwe Israël” wat uit het “oude Israël” (de Kerk) voortgekomen was.

Van Het Oude Verbond naar het Nieuwe Verbond: de Kerk: het “Nieuwe Israël” Voortgekomen uit het “Oude Israël.”

En hier komen we dan de beide verbonden en de twee “Israëls.” Wat door vele Christenen nu over het hoofd gezien wordt, is dat er een Oud Verbond was en een Nieuw Verbond is. Het oude verbond had betrekking op het verbond wat God via Mozes met Israël gesloten had. Dit Israël zouden we het “oude Israël” ofwel het “Israël naar het vlees” kunnen noemen. Het “nieuwe Israël” is het “Israël naar de geest.” God had al lang geleden beloofd dat er ooit eens een nieuw verbond zou komen:

“Zie, de dagen komen, luidt het woord des Heren, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal. Niet zoals het verbond, dat Ik met hun vaderen gesloten heb ten dage dat Ik hen bij de hand nam, om hen uit het land Egypte te leiden: mijn verbond, dat zij gebroken hebben, hoewel Ik heer over hen ben, luidt het woord des Heren. Maar dit is het verbond, dat Ik met het huis Israël sluiten zal na deze dagen, luidt het woord des Heren: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. Dan zulle zij niet meer een ieder zijn naaste en een ieder zijn broeder leren: Kent den Here: want zij allen zullen Mij kennen, van den kleinste tot den grootste onder hen, luidt het woord des Heren, want Ik zal hun ongerechtigheden vergeven en hun zonde niet meer gedenken.” (Jeremia 31:31-34)

“Na Deze Dagen” & Christus Jezus: de Middelaar van een Beter Verbond.  

Wat in dit schriftgedeelte nu zo naar voren komt, zijn de woorden “na deze dagen.” Wat God met deze woorden bedoelde te zeggen, is dat die eigenlijk te maken hebben met de dagen van het Oude Verbond (ofwel de dagen onder de wet van Mozes). Die dagen, zo profeteerde God door de profeet Jeremia, zouden een plaats moeten maken voor het Nieuwe Verbond wat Hij met de beide huizen van Israël zou sluiten. En dat dit later ook gebeurde en de belofte van dit Nieuw Verbond ook vervuld werd, lezen we weer in de zendbrief van Paulus aan de Hebreeën; de apostel maakt daar het verschil tussen het Oude Verbond en het Nieuwe Verbond duidelijk als hij het over Jezus als “De hogepriester van het nieuwe verbond” heeft:

“De hoofdzaak ven ons onderwerp is, dat wij zulk een hogepriester hebben, die gezeten is ter rechterzijde van den troon der majesteit in de hemelen, den dienst verrichtende in het heiligdom, in den waren tabernakel, dien de Here opgericht heeft, en niet een mens. Want iedere hogepriester treedt op om gaven en offers te brengen, en om dien reden was het noodzakelijk, dat ook deze iets had om te offeren. Indien Hij nu op aarde was, dan zou Hij niet eens priester wezen, daar er hier reeds zijn om volgens de wet gaven te offeren. Deze verrichten slechts dienst bij een afbeelding en schaduw van het hemelse, blijkens de godspraak, die Mozes ontving, toen hij de tabernakel zou gereed maken. Zie toe, zegt Hij immers, dat gij alles maakt naar het voorbeeld, dat u getoond werd op den berg. Nu echter heeft Hij een zoveel verhevener dienst verkregen, als Hij de middelaar is van een beter verbond, waarvan de rechtskracht op betere beloften berust. Want indien dat eerste onberispelijk ware geweest, zou er geen plaats gezocht zijn voor een tweede. Want Hij berispt hen als hij zegt: 

Zie, er komen dagen, spreekt de Here, dat Ik voor het huis Israëls en het huis Juda een nieuw verbond tot stand zal brengen, niet zoals het verbond, dat Ik met hun vaderen maakte ten dage, dat Ik hen bij de hand nam om hen uit het land Egypte te leiden, want zij hebben zich niet gehouden aan mijn verbond en Ik heb Mij niet meer om hen bekommerd, spreekt de Here. Want dit is het verbond, waarmede Ik Mij verbinden zal aan het Huis Israël na die dagen, spreekt de Here: Ik zal Mij wetten in hun verstand leggen, en Ik zal die in hun harten schrijven, en Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. En niet langer zullen zij een ieder zijn medeburger, en een ieder zijn broeder leren, zeggende: Ken den Here, want allen zullen zij Mij kennen, van den kleinste tot den grootste onder hen. Want Ik zal genadig zijn over hun ongerechtigheden, en hun zonde zal Ik niet meer gedenken. Als Hij spreekt van een nieuw verbond, heeft Hij daarmede het eerste voor verouderd verklaard. En wat veroudert en verjaart, is niet ver van verdwijning.” (Hebreeën 8:1-13)

“Het Is Volbracht”: Het Einde van het Oude Verbond. 

Dat het oude verbond voorgoed tot een einde kwam, gebeurde toen Jezus, eenmaal aan het kruis en vlak voor Zijn sterven, de nu zo bekende woorden “Het is volbracht!” uitriep:

“Hierna zeide Jezus, daar Hij wist, dat alles reeds volbracht was, opdat de Schrift vervuld zou worden: Mij dorst! Er stond een kruik vol zuren wijn; zij staken dan een spons, gedrenkt met zuren wijn, op een hysopstengel en brachten die aan zijn mond. Toen Jezus dan den zuren wijn genomen had, zeide Hij: Het is volbracht! En Hij boog het hoofd en gaf den geest.” (Johannes 19:28-30)

“Zij Zullen Zien Op Hem, Dien Zij Doorstoken Hebben.” 

Veelal wordt aangenomen dat Jezus met zijn laatste woorden “Het is volbracht!”, hier alleen maar Zijn bediening op het oog had; die had Hij nu afgesloten en daar doelde Jezus dan ook op. Maar zoals we net daarvoor al zeiden, was hiermee ook het Oude Verbond volbracht. Vanaf vers 31 lezen we dat de Joden Pilatus verzochten om de benen van de twee misdadigers die samen met Jezus gekruisigd waren en de benen van Jezus Zelf gebroken konden worden; het was namelijk de voorbereiding voor de sabbat en op die sabbatdag mochten de lichamen niet aan het kruis blijven Pilatus stemde toe en zo werden de benen van de twee misdadigers door Romeinse soldaten gebroken,

“Maar toen zij bij Jezus gekomen waren en zagen, dat Hij reeds gestorven was, braken zij zijn benen niet, maar een van de soldaten stak met een speer in zijn zijde en terstond kwam er bloed en water uit. En die het gezien heeft, heeft er van getuigd en zijn getuigenis is waarachtig en hij weet dat hij de waarheid spreekt, opdat ook gij gelooft. Want dit is geschied, opdat het schriftwoord zou vervuld worden: Geen been van Hem zal verbrijzeld worden. En weder zegt een ander schriftwoord: Zij zulen zien op Hem, dien zij doorstoken hebben.” (verzen 33-37)

Het Bewijs van de Vervangingsleer: het Nieuwe Verbond Gesloten met Leden Binnen het Oude Israël: de Kerk. 

En dit is nu het Nieuwe Verbond wat God met het huis Israël gesloten had. Het Oude Verbond was nu “verouderd” en “verjaard” en dus dan ook voorbijgegaan en voorgoed verdwenen. Het is echter ook belangrijk hierbij te vermelden dat het Nieuwe Verbond gesloten werd met leden die zich binnen het “oude Israël” onder het Oude Verbond waren. Dit waren dan de discipelen (de latere apostelen) van Jezus. En samen zouden die dan de Kerk, de Gemeente van Christus Jezus vormen. En hieruit kan weer worden geconcludeerd dat het “nieuwe Israël” uit het “oude Israël” voortgekomen is. Was er eerder een “oud Israël” (het Israël naar het vlees), nu was hier het “nieuwe Israël (het Israël naar de geest) uit oortgekomen. En dit was nu het volk aan wie God Zijn Koninkrijk Gods gegeven had nadat Hij dit eerst van de overpriesters, de Farizeeën (en het “oude volk Israël”) die Jezus niet als hun Messias hadden geaccepteerd, had afgenomen.  Aldus is de vervangingsleer hiermee bewezen, bevestigd en ook nog eens goed uitgelegd! 

Vervolging & Verdrukking van de Kerk door de Overpriesters, Farizeeén & de Joden die Jezus als de Messias Hadden Verworpen. De Daaropvolgende Verwoesting van Jeruzalem. 

Het duurde echter niet lang dat de overpriesters, de Farizeën en het “oude Israël” nadat die gemerkt hadden dat van hen het Koninkrijk Gods afgenomen door Jezus, zij de Kerk (het “nieuwe Israël” dus) hevig begonnen te vervolgen en te verdrukken. Dit hebben we hierboven eerder al besproken betreffende de verzen 12-19 in Lucas 20. Vervolgens zou dit alles leiden tot de verwoesting van Jeruzalem. Jezus maakte dit weer duidelijk met Zijn gelijkenis van “Het koninklijke bruiloftsmaal.”: 

En Jezus antwoordde en sprak wederom in gelijkenissen tot hen en zeide: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een koning, die voor zijn zoon een bruiloft aanrichtte. En hij zond zijn slaven uit om de ter bruiloft uitgenodigden te roepen, doch zij wilden niet komen. Wederom zond hij andere slaven uit met de boodschap: Zegt den genodigden: Zie, ik heb mijn maaltijd bereid, mijn ossen en gemeste beesten zijn geslacht en alles is gereed: komt tot de bruiloft. Maar zij sloegen er geen acht op en gingen heen, de een naar zijn akker, de ander naar zijn zaken. De overigen grepen zijn slaven, en zij mishandelden en doodden hen. En de koning werd toornig, en hij zond zijn legers uit en verdelgde die moordenaars en stak hun stad in brand.” (Mattheüs 22:1-7)

Deze profetische gelijkenis die Jezus destijds tegenover de overpriesters en Farizeeën vertelde, vond zijn vervulling uiteindelijk in de verwoesting van Jeruzalem in 70 AD door de romeinse legers onder leiding van de Romeinse veldheer Titus. De “slaven” waar Jeus het over had, waren zijn discipelen van de Kerk. De “koning” was en symbool van God de Vader. En de “zoon” van die koning was weer een symbool van Jezus Zelf. Na een bepaalde tijd was God er dan ook klaar mee en maakte Hij gebruik van de Romeinse legioenen om de stad van “die moordenaars” te verwoesten.

De Volgende Fase: de Heidenen Worden bij de Kerk Gevoegd. 

Dan gaan we nu verder vanaf vers 8 van Mattheüs 22:

“Toen zeide hij tot zijn slaven: De bruiloft is wel gereed, maar de genodigden waren het niet waard. Gaat daarom naar de kruispunten der wegen en nodigt allen, die gij aantreft, tot de bruiloft. En die slaven gingen naar de wegen en verzamelden allen, die zij aantroffen, zowel slechten als goeden. En de bruiloftszaal werd vol met hen, die aanlagen.” (verzen 8-10)

Wat we hier nu zien, is dat nadat de “genodiden” (de overpriesters, de Farizeeën en het “oude Israël” voor wie het koninkrijk Gods het eerst bestemd was) de uitnodiging van de koning hadden afgewezen (en daarmee ook Jezus als de Messias verworpen hadden), hier later in hun plaats de heidenen aan werden toegevoegd. Dit waren dan de mensen die de discipelen van Jezus er aan de wegen en kruispunten aantroffen. En zo gebeurde het dat zowel Joden (Israëlieten) met de heidenen (niet-Joden, niet-Israëlieten) samengevoegd en dus één met elkaar werden. Zoals Paulus het uitdrukt:

“Want gij zijt allen zonen van God, door het geloof in Christus Jezus. Want gij allen die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed. Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk of vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Christus Jezus. Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen.” (Galaten 3:26-29)

En elders:

“Liegt niet meer tegen elkander, daar gij den ouden mens met zijn praktijken efgelegd, en den nieuwen aangedaan hebt, die vernieuwd wordt tot volle kennis naar het beeld van zijn Schepper, waarbij geen onderscheid is tussen Griek en Jood, besneden of onbesneden, barbaar en Scyth, slaaf en vrije, maar alles en in allen is Christus.” (Kolossenzen 3:9-11)

Wat Galaten 3:26-29  betreft, lezen hier dus dat 1), we zonen (kinderen) van God zijn door ons geloof in Christus Jezus. En dat er 2), geen verschil is tussen Jood en Griek (niet-Jood, de heiden). En 3), dat we nu, nu we van Christus zijn (Hem toebehoren) we het zaad (nakomelingen) zijn, die de ware erfgenamen van de belofte zijn. En zo is het tot nu toe door alle eeuwen heen geweest. De Kerk was en is nu het “ware Israël” onder het Nieuwe Verbond en zo zal dit blijven tot aan en met de wederkomst van Jezus!

14 Mei 1948: het Ontstaan van Israël als Natie. 

Tenslotte moet er nog wat aandacht worden besteed aan de datum 14 mei 1948. Het was op die dag dat Israël weer een staat werd. Voor vele Christenen moet dit wel een godswonder zijn geweest; een volk wat gedurende 2.000 de hele wereld afgezworven had en wat nu ook nog een holocaust had overleefd, dat kon alleen maar een wonder zijn wat God Zelf moest hebben verricht! Nu zou er dan het begin van de vervulling van vele beloften in het Oude Testament worden gemaakt: namelijk de langverwachte terugkeer van het Joodse volk naar het land. De vraag is nu: hoe moeten we hier nu tegenover staan? Zonder hier verder op details in te gaan, moet worden gezegd dat er nergens in de Bijbel iets over een derde reis van het Joodse volk naar het land staat vermeld. En die beloften in het Oude Testament die over en terugkeer naar Israël spreken, werden vervuld enige tijd ná de terugkeer van het Joodse volk uit de Babylonische Ballingschap. En dat die beloften in het Oude Testament staan (en we die nergens tegenkomen in het Nieuwe Testement) wil zeggen dat die beloften onder het Oude Verbond werden vervuld. In het Nieuwe Testament lezen we over de Kerk. Zoals we al hebben gezien, is de Kerk als het Israël onder het Nieuwe Verbond voortgekomenuit het Israël onder het Oude Verbond. Dus: zoals we onder het Oude Verbond één “oud” Israël hadden, zo hebben we nu al voor lange tijd het “nieuwe Israël” onder het Nieuwe Verbond. En: had het oude Israël een fysiek land met fysieke grenzen en een fysieke tempel, het nieuwe Israël (de Kerk) heeft die niet. Luister hoe Paulus dit tegenover de Joodse Christenen van zijn tijd uitlegde:

“Want gij zijt niet genaderd tot een tastbaar en brandend vuur, tot donkerheid, duisternis en stormwind, tot het geklank van een bazuin en tot het geluid van een stem, bij het horen waarvan zijn verzochten, dat niet verder  tot hen gesproken werd; want zij konden dir bevel niet dragen: Zelfs als een dier den berg aanraakt, zal het worden gestenigd. En zo ontzagelijk was het verschijnsel, dat Mozes zeide: Ik ben enkel vreze en beving. Maar gij zijt genaderd tot den berg Sion, tot den stad van den levenden God, het hemelse Jeruzalem en tot tienduizendtallen van engelen, en tot een feestelijke en plechtige vergadering van eerstgeborenen, die ingeschreven zijn in de hemelen, en tot God, den Rechter over allen, en tot de geesten der rechtvaardigen, die de voleinding bereikt hebben, en tot Jezus, de middelaar van een nieuw verbond, en tot het bleod der besprenging, dat krachtiger spreekt dan Abel. Zie dan toe dat gij Hem die spreekt, niet afwijst. Want als genen niet ontkomen zijn, toen zij Hem afwezen, die zijn godsspraak op aarde deed horen, hoeveel te minder wij, als wij ons afwenden van Hem, die uit de hemelen spreekt. die uit de hemelen spreekt. Toen heeft zijn stem de aarde doen wankelen, doch thans heeft Hij een belofte gegeven, zeggende: Nog eenmaal zal Ik niet slechts de aarde, maar ook den hemel doen beven. Dit: nog eenmaal, doelt op een verandering der wanlele dingen als van iets, dat slechts geschapen is, opdat blijve, wat niet wankel is. Laten wij derhalve, omdat wij een onwankelbaar koninkrijk ontvangen, dankbaar zijn en hierdoor God vereren op een Hem welbehagelijke wijze met eerbied en ontzag, want onze God is een verrerend vuur.” Hebreeën 12:18-29)

Wat we hier zien, is dat het niet alleen een nieuw verbond, waarvan Jezus de Middelaar is, we lezen hier ook dat God Die Zijn spraak eertijds op aarde deed horen, dit later “uit de hemelen” zou doen. En dit zien we weer terug in Hebreeën 1:1-2:

“Nadat God eertijds vele en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij nu in het laatst der dagen tot ons gesproken in den Zoon, Dien Hij gesteld heeft tot erfgenaam van alle dingen, door wien Hij ook de wereld geschapen heeft.” 

En “het wankele” waar Paulus hier van spreekt, is het fysieke Israël wat uiteindelijk zou verdwijnen. Hiervoor in de plaats werd de Gemeente van Jezus gesteld.

De Stichting van Israël als Staat op 15 Mei 1948: geen “Wonder van God.” 

Na een bepaalde tijd zouden ook Jeruzalem,  de tempel met het Mozaïsche dierenofferstelsel verdwijnen doordat de “hoeksteen” (symbool van Jezus) er tijdens de opmars van de Romeinse legioenen onder leiding van Titus door Israël er bovenop neerviel; en later  verdween ook Israël als natie nadat de daaropvolgende Romeinse keizer Hadrianus opdracht had gegeven de overgrote meerderheid van het Joodse volk uit het land te verwijderen. Dat Israël in 1948 weer een staat werd, heeft dus weinig tot niets te betekenen. Immers, beloften  van de terugkeer van het Joodse volk die al enige tijd na de Babylonische Ballingschap vervuld waren, kunnen niet wéér vervuld worden. Daarnaast leven we onder het Nieuwe Verbond: het Nieuwe Genadeverbond tussen Jezus en Zijn Kerk. Dit alles heeft dan ook geen betrekking op de huidige zionistische staat in het Midden-Oosten; die heeft hier niets mee te  maken en voor de Kerk is het niet nodig om er ook maar even acht op te slaan.

Het is niet duidelijk, maar zou men ooit eens de volgende vraag hebben kunnen gesteld, “Waarom ging satan” (in de vorm van een serpent), nu juist naar Eva om zowel haar als haar man, Adam, tot ongehoorzaamheid aan het verbod van God om van de vrucht van de Boom van Kennis van Goed en Kwaad te eten? Zou hij misschien niet al succes met zijn misleidende uitlatingen kunnen hebben gehad als hij meteen naar Adam zou zijn gegaan?” Interessante vraag, niet? Ja, waarom zou satan nu niet eerst naar Adam zijn gegaan om hem en zijn vrouw tot ongehoorzaamheid aan Gods verbod te manipuleren? De geschiedenis van de misleiding van Eva zal wel bekend zijn:

“De slang nu was de listigste onder alle dieren van het veld, die de HEERE God gemaakt had; en hij zei tegen de vrouw: Is het echt zo dat God gezegd heeft: U mag niet eten van alle bomen in de hof? En de vrouw zei tegen de slang: Van de vrucht van de bomen in de hof mogen wij eten, maar van de vrucht van de boom die in het midden van de hof staat, heeft God gezegd: U mag daarvan niet eten en hem niet aanraken, anders sterft u. Toen zei de slang tegen de vrouw: U zult zeker niet sterven. Maar God weet dat, op de dag dat u daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden en dat u als God zult zijn, goed en kwaad kennend. En de vrouw zag dat die boom goed was om ervan te eten en dat hij een lust was voor het oog, ja, een boom die begerenswaardig was om er verstandig door te worden; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook wat aan haar man, die bij haar was, en hij at ervan. Toen werden de ogen van beiden geopend en zij merkten dat zij naakt waren. Zij vlochten vijgenbladeren samen en maakten voor zichzelf schorten. En zij hoorden de stem van de HEERE God, Die in de hof wandelde, bij de wind in de namiddag. Toen verborgen Adam en zijn vrouw zich voor het aangezicht van de HEERE God te midden van de bomen in de hof.” (Genesis 3:1-8)

We zullen het hier bij laten. Voor we verder gaan met het antwoord op de vraag waarom satan niet meteen naar Adam ging om hem en Eva tot geloofsafval van God te brengen met zijn positief-klinkende en vleiende verleiding, zullen we de bovenstaande verzen eens analyseren. Wát lezen we er nu precies? Allereerst is het de misleidende vraag van satan aan Eva: was het niet zo, dat God het hen verboden had, van alle bomen in de hof te eten? En het is hier waar het venijn in de staart zit; God had nl. tegen Adam het volgende gezegd:

“En de HEERE God gebood de mens: Van alle bomen in de hof mag u vrij eten, maar van de boom van kennis van goed en kwaad, daar mag u niet van eten, want op de dag dat u daarvan eet, zult u zeker sterven.” (Genesis 2:16-17)

Adam en Eva mochten dus van alle bomen de vrucht ervan eten, behalve die van de boom van kennis van goed en kwaad. Waarom sprak satan dan van “alle bomen” tegen Eva? Antwoord: Waarschijnlijk was dit een test, een proef, om eerst na te gaan of Eva zich dit gebod nog kon goed herinneren; zou zij zich dit woord niet meer helder voor de geest hebben (wat uit haar antwoord op de vraag van satan op te maken valt dat dit wérkelijk het geval was), dan zouden de misleidende manoeuvres van de verleider meer succes hebben. En dit bleek ook zo te zijn. Het was pas daarná, dat satan met zijn frontale aanval kwam; ja, God hééft natuurlijk wel gezegd dat als jullie desondanks tóch van die “verboden vrucht” eten, jullie zullen sterven. De waarheid (zo zou satan geredeneerd kunnen hebben), is, dat jullie ogen open zullen gaan als je daarvan eten zult. En dan zul je aan Hem gelijk zijn. Tijdens het gesprek met satan hield Eva haar ogen volkomen op die ene boom gericht en terwijl de vleiende woorden van satan bij haar een gevoelige snaar raakten, kreeg zij een hevig verlangen om van die boom de vrucht te eten om, net als God, even wijs en verstandig te worden.

Adam & Eva: de Zondeval. 

En uiteindelijk nam zij van de vrucht, at ervan, gaf er ook wat van aan haar man, Adam, en wérden hun ogen ook inderdaad geopend. Dus het was wáár wat satan Eva had wijsgemaakt. Maar dit was echter een halve waarheid, die verbonden was met eveneens een halve leugen. Hoewel hun ogen inderdaad werden geopend, bemerkte het tweetal dat zij niet even wijs en verstandig als God (en dus gelijk aan God) geworden waren; integendeel; zij bemerkten dat zij naakt waren (hetgeen een symbolische betekenis aangeeft en wel in deze, dat zij wísten dat zij op deze wijze aan Gods verbod ongehoorzaam waren geworden). En het was om die reden dat zowel Adam als Eva zich nadat God Zich in de hof vertoonde, verborgen tussen de overige bomen in de hof. Het feit dat zij vlak daarvoor schorten van vijgenbladeren hadden gemaakt om hun naaktheid ermee de bedekken, wijst erop, dat zij hun zonde op deze wijze voor God hadden getracht, verborgen te houden. Op deze wijze hadden Adam en Eva hun relatie met God echter verbroken, en kom Hij nog slechts met hen communiceren als de twee zondaren die zij nu geworden waren. Voorheen kon, als God Zich in de hof vertoonde, Hij met hen nog communiceren als Zijn kinderen. Na deze “zondeval” kon Hij dit echter niet meer. Het gevolg was dat zij uit de hof verdreven werden en zij de aardbodem nu voortaan in het zweet huns aanschijns moesten bewerken wilden zij de vrucht daarvan kunnen genieten. (Genesis 3:23-24)

Dierenhuiden in Plaats van Vijgenbladeren: Heenwijzing naar het Mozaïsche Offerstelsel & het Offer van Jezus, het Smetteloze Offerlam. 

Vóór Hij dit zou doen, deed God ook nog iets ánders:

“En de HEERE God maakte voor Adam en voor zijn vrouw kleren van huiden en kleedde hen daarmee.” (vers 21)

Waarom deed God dit? Adam en Eva hadden door zich schorten van die vijgenbladeren te maken getracht, zichzelf te rechtvaardigen door hun zonde op deze wijze te bedekken. Door dit te doen, voegde het tweetal nóg een zonde aan hun eerste zonde (het eten van de vrucht) toe: zelfrechtvaardiging. God wees dit echter af door hen te bekleden met huiden, wat erop wijst dat Hij hier eerst een of méér dieren had gedood om Adam en Eva met de huid ervan te bekleden. En deze handeling wees erop dat het God was, Die alléén de mens kon rechtvaardigen, en dit wees tevens op de toekomst van het dierenofferstelsel onder de wet van Mozes, waarbij de zonden van de Israëlieten door het bloed van offerdieren bedekt werden. En dit stelsel was op zijn beurt weer een heenwijzing naar het smetteloze Offer wat Jezus eens aan het kruis zou volbrengen voor de vergeving van de zonden der mensheid en die niet alleen bedekt maar tevens wéggenomen zouden worden. Wat Adam en Eva nu eigenlijk hadden gedaan, was dit: zij hadden met die schorten een soort van goede werken verricht, om zo van hun zonde af te komen. God wees die “goede werken” echter af en maakte met die huiden die Hij voor hen bereid had, duidelijk dat zij eigenlijk slechts gered konden worden door Zijn genade! En door de eeuwen heen hebben talloze mensen getracht om voor God aanvaardbaar te worden, zich op symbolische wijze “schorten van vijgenbladeren” gemaakt om zo hun geestelijke naaktheid te bedekken, door vele goede werken te verrichten. Hoewel al die werken op zichzelf weliswaar goed zijn geweest, kon niemand die ze verricht had, smetteloos en zonder zonde voor God verschijnen. Het zou immers nadat Jezus Zichzelf als een smetteloos en volmaakt Offerlam aan God aan het kruis zou hebben gegeven, dat mensen door in dit Offer als een plaatsvervanging voor hun zonden zouden geloven, zij door God wérkelijk gerechtvaardigd zouden zijn.

Het Verbod van God & Adam. 

Laten we nu terugkeren naar Genesis 2:16-17. Daar lezen we zoals we hebben gezien, dat God de mens voor het eerst het gebod oplegde, de vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad niet te eten. Dit gebod werd hier door God persoonlijk aan Adam opgelegd, want Eva, zijn (toekomstige) vrouw, zou later uit een van zijn ribben door God worden geschapen. (verzen 20-23) En dit wil zeggen dat daar Adam dit gebod van God persoonlijk werd opgelegd, Eva ditzelfde gebod niet van God Zélf, maar dit indirect van Hem nl. van Adam overgeleverd had gekregen. En het is hier dat het interessant wordt. Want zoals we wel zullen weten, maakt het meer indruk op iemand als hij iets van een ander persoonlijk gehoord heeft, dan dat hij dit weer van iemand anders heeft gehoord, van horen zeggen dus. Eva had het gebod van God van horen zeggen gekregen.

Mozes, de Berg, de Sinaï & het Volk Israël. 

Nu, dat het op een ander (of anderen) een grotere indruk maakt wanneer die iets gehoord heeft uit de eerste hand, dan dat die dit gehoord hebben van horen zeggen (dus uit de tweede hand), wordt duidelijk uit de geschiedenis over Mozes op de berg, de Sinaï, waar hij van God o. a. de Tien Geboden ontving. (Exodus 19 en 20:1-17) Daar lezen we dat God met groot machtsvertoon op de berg neergedaald was (met “donderslagen, bliksemflitsen” en “zeer sterk bazuingeschal”), waarbij het volk Israël hevig beefde van schrik; het had van Mozes in opdracht van God te horen gekregen dat het de berg beslist niet mocht beklimmen opdat zij hierbij niet om zouden komen. En dat is de reden dat het volk bevreesd op een afstand van de berg bleef:

“En heel het volk was getuige van de donderslagen, de bliksems, het bazuingeschal en de rokende berg. Toen het volk dit zag, sidderden zij en bleven op een afstand staan. Zij zeiden tegen Mozes: Spreekt ú met ons, dan zullen wij luisteren, maar laat God niet met ons spreken, anders sterven wij. Mozes zei tegen het volk: Wees niet bevreesd, want God is gekomen om u op de proef te stellen en opdat de vreze voor Hem u voor ogen staat, opdat u niet zondigt. Het volk bleef op een afstand staan, maar Mozes naderde tot de donkere wolk, waar God was.” (verzen 18-21)

Nu ís het ook zo, dat het volk zeer onder de indruk en bevreesd was vanwege de ongebruikelijke verschijnselen die met het neerdalen van God op de Sinaï gepaard gingen. Dit zien we weer niet terug bij Adam waar God hem het gebod om niet van de vrucht te eten, oplegde. Nochtans was het volk er zeer beducht voor, God persoonlijk tot hen te horen spreken. Om die reden wenste het volk dat het de geboden van God uit de tweede hand (dus van God via Mozes), zou ontvangen. En net als het volk Israël de geboden Gods uit de tweede hand ontving, zo kreeg Eva het gebod van God omtrent de “verboden vrucht” uit de tweede hand van Adam.

Satan op de Hoogte van het Gebod van Adam aan Eva. 

Aangezien satan het gesprek met Eva begon over het gebod omtrent die vrucht, moet hier worden vastgesteld dat hij ergens in de buurt van Adam en Eva moet zijn geweest toen hij zijn vrouw dit gebod van God door had gegeven. Aldus begon hij zoals we boven gezien hebben, Eva ertoe te brengen van die vrucht te eten en met succes zoals gebleken is. En hiermee kunnen we tevens vaststellen, waarom satan Eva benaderde en niet Adam: vermoedelijk had hij ergens wel door dat het gebod zoals Adam dit in opdracht van God aan Eva doorgegeven had, minder indrukwekkend zou hebben geklonken dan bij Adam die dit gebod persoonlijk van God ontvangen had! Zou hij daarom alleen Adam hebben benaderd om het tweetal te verleiden, dan kan het zijn dat hij waarschijnlijk geen succes zou hebben gehad. Met dit gebod nog levendig in zijn gedachten, zou die dan satan en zijn verleidingen hebben weerstaan.

Ook Adam misleid. 

Toch lezen we dat nadat Eva van de vrucht had gegeten, zij hiervan ook wat aan haar man te eten gaf, “En zij gaf ook wat aan haar man, die bij haar was, en hij at ervan.” En zo bezweek ook hij voor de misleiding van satan. Zou het nu niet logischer zijn geweest dat hij op het moment dat zij van die vrucht wilde eten, dit haar verhinderd zou hebben? Hoewel dit zo is, at ook hij er desondanks van. Hoe zou dit zo gekomen zijn? Dit laat enige ruimte over voor speculatie; bevond Adam zich op dat moment hoewel “die bij haar was”, op enige afstand van Eva en satan en wist hij niet wat beiden aan het bespreken waren? Hier moet er ook meteen aan worden toegevoegd dat satan hier gebruik maakte van een “front”, een “dekmantel” in de vorm van een serpent. Beiden zouden daarom niet meteen geweten kunnen hebben, hier met satan zélf van doen te hebben. En via dit serpent gebruikte satan op zijn beurt Eva als een “tweede dekmantel” om ook Adam onderuit te halen. Desondanks was het gebod van God duidelijk: “Eet niet van die vrucht!”We zullen echter nooit weten waarom naast Eva ook Adam voor de verleiding bezweek door te eten van die vrucht. Maar dat satan er vermoedelijk van op de hoogte was dat Eva het gemakkelijkst te verleiden zou zijn daar die het gebod van God uit de tweede hand ontvangen had, schijnt een logische gevolgtrekking te zijn.  

 

Ton Nuiten – Vrijdag 30 Augustus 2019.

Tegenwoordig doen er verschillende theorieën de ronde. En dit id vnl. daar waar het de zgn. “reuzen” in de Bijbel (Genesis 6) aangaat. Er zijn nl. verschillende bijbelverklaarders die over deze “reuzen” de volgende verklaring hebben gegeven; zij menen nl. dat die “reuzen” het product zouden zijn geweest van seksuele gemeenschap tussen gevallen engelen en de vrouwen van de volken die er in die tijd waren. Uit deze gemeenschap zouden afzichtelijke en lelijke schepsels voortgekomen zijn. En het gevolg van dit alles was dat de aarde in die nu ver vervolgen tijd vervuld werd met allerlei vormen van kwaad en slechtheid. Maar … wáren die “reuzen” wel die afschuwelijke monsters zoals sommige bijbelgeleerden die nu nóg als zodanig beschouwen? Om dit te kunnen weten, dienen we hier -uiteraard- de Bijbel zélf bij te nemen.

Genesis 6:1-8. 

We zullen hierbij beginnen bij Genesis 6:1-8 waarin we over die “reuzen” lezen:

“En het gebeurde, toen de mensen zich op de aardbodem begonnen te vermenigvuldigen en er dochters bij hen geboren werden, dat Gods zonen de dochters van de mensen zagen dat zij mooi waren, en zij namen zich vrouwen uit allen die zij uitgekozen hadden. Toen zei de HEERE: Mijn Geest zal niet voor eeuwig met de mens twisten, omdat hij ook vlees is, maar zijn dagen zullen honderdtwintig jaar zijn. In die dagen, en ook daarna, waren er reuzen op de aarde, toen Gods zonen bij de mensen waren gekomen en die kinderen voor hen baarden; dit zij de geweldenaars van oude tijden af, mannen van naam. En de HEERE zag dat de slechtheid van de mens op de aarde groot was, en dat al de gedachtenspinsels van zijn hart elke dag alleen maar slecht waren. Toen kreeg de HEERE en berouw over dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het bedroefde Hem in Zijn hart. En de HEERE zei: Ik zal de mens, die Ik geschapen heb, van de aardbodem verdelgen, van de mens tot het vee,, tot de kruipende dieren en de vogels in de lucht toe, want Ik heb er berouw over dat Ik hen gemaakt heb.. Maar Noach vond genade in de ogen van de HEERE.” 

Nu, waren die “reuzen” nu wérkelijk van die afzichtelijke schepsels vanwege de (vermeende) gemeenschap tussen die “gevallen engelen” en die dochters der mensen? Van de vetgedrukte verzen valt echter duidelijk af te leiden dat die “reuzen” er tijdens de (vermeende) gemeenschap tussen die engelen en dochters al aanwezig waren. Om die reden konden die dan ook nooit het product zijn geweest van die gemeenschap!

De Reuzen: “De Geweldenaars van Oude Tijden Af, Mannen van Naam.” 

Zoals we uit de bovenstaande verzen hebben weten vast te stellen, konden die reuzen zoals gezegd, nooit uit die unie tussen die “gevallen engelen” en die dochters. Maar wat waren die reuzen dan wél? En waar kwamen die dan vandaan? Het antwoord wordt volgens ons inziens gevonden in het geslachtsregister van Adam tot Noach. (Genesis 5). Het is daar waar we lezen dat het voorgeslacht van de mensheid in Genesis 6 mensen waren, die in die tijd een zeer hoge leeftijd bereikten. Over Adam (de eerste mens) en diens derde nakomeling, Seth, lezen we  er dit:

“Adam leefde honderddertig jaar, en verwekte een zoon naar zijn gelijkenis, naar zijn beeld; en hij gaf hem de naam Seth. Adams dagen waren, nadat hij Seth verwekt had, achthonderd jaar; en hij verwekte zonen en dochters. Al de dagen die Adam leefde, waren negenhonderddertig jaar; en hij stierf. Seth leefde honderdvijf jaar, en verwekte Enos. En Seth leefde, nadat hij Enos verwekt had, achthonderdzeven jaar; en hij verwekte zonen en dochters. Al de dagen van Seth waren negenhonderdtwaalf jaar; en hij stierf.” (verzen 3-8)

En ook de overige mensen in Genesis 5 bereikten een zeer hoge leeftijd. En hieruit weten we weer het volgende uit af te leiden: aangezien al deze genoemde mensen in Genesis 5 een zeer hoge leeftijd wisten te bereiken, volgt hier uit dat dit mensen van een grote gestalte moeten zijn geweest! Zouden we nu in staat zijn geweest om met een “tijdmachine” naar dit verre verleden terug te reizen, dan zouden we ons tussen hen als lilliputters hebben beschouwd! Het waren dan ook díe “reuzen”, waar Mozes (de auteur van het scheppingsverhaal en de rest in het boek Genesis) in zijn verslag naar verwezen heeft.

De Zonen van God als “Gevallen Engelen.” 

De volgende vraag die nu moet worden beantwoord, is deze: Waren die Zonen Gods waar we in Genesis 6 over lezen, werkelijk “gevallen engelen” (demonen) of waren die misschien gewoon mensen? Om toch te bewijzen dat deze zonen van God “gevallen engelen” zouden zijn geweest, grijpen verschillende bijbeluitleggers terug naar het bijbelboek, Job. Het verhaal in dit boek zal wel bekend zijn; Job, die in zijn tijd de rijkste en meest gerespecteerde man van het Oosten was, wordt later onder Gods toelating in het verderf gestort; na een lange periode van lijden en ellende brengt God echter een ommekeer in het lot van Job en wordt hij daarna dubbel zo door Hem gezegend als hij vóór zijn rampspoed geweest was. Nu, in zowel het eerste als het tweede hoofdstuk van het boek, Job, zien we dat de “zonen Gods” voor God kwamen en er zich opstelden:

“Op zekere dag nu kwamen de zonen Gods. om zich voor de HERE te stellen; en onder hen kwam ook de satan.” (Job 1:6 NBG-vertaling)

Hier gaat het betreffende die “zonen Gods” inderdaad over de engelen van God, dus kunnen dit geen mensen zijn geweest; aangezien ook nog de satan onder hen voor God verscheen, menen de genoemde uitleggers nu het bewijs te hebben: daar ook de satan onder die engelen was, is dit het absolute bewijs dat die “zonen Gods” uit Genesis 6 eveneens net zoals satan dat was, “gevallen engelen” moeten zijn geweest. Maar wat lezen we er nu wérkelijk? We lezen dat toen de engelen Gods voor God verschenen, apart van hen, ook de satan onder hen opdook en zich voor God opstelde. Dus die “zonen Gods” die die engelen ook waren, moeten apart van de satan worden gezien! Want de satan ( en zijn demonen) konden dan ook vanwege hun zonde van rebellie tegen God dan ook in tegenstelling met de “zuiver gebleven engelen”, niet langer als “zonen Gods” worden beschouwd. Om het eens als volgt te zeggen: satan was wel samen met de engelen Gods aanwezig voor God, maar hij maakte geen deel van hen uit. Dus moet die benaming in Genesis 6 slaan op een bepaalde groep mensen en niet op “gevallen engelen.”

Wie Waren Nu die “Zonen van God”? 

Nu de vraag: wie waren die “zonen van God” waarvan sommige bijbelverklaarders menen dat dit gevallen engelen geweest zouden zijn), nu wérkelijk? De vermaarde bijbelverklaarder, Matthew Henry, schreef in zijn “Verklaring van het Oude en Nieuwe Testament” (B. V. Uitgeverij de Banier-Utrecht) 1990), het volgende over die “zonen” als hij het over “Gemengde huwelijken” heeft:

“Gods zonen (dat zijn de belijders van de godsdienst), zagen de dochters der mensen aan, dat wil zeggen: zij die werelds waren en vervreemd van God en de godsvrucht. Het nageslacht van Seth hield zich niet afgezonderd, zoals het had moeten doen. Ze vermengden zich met het verbannen geslacht van Kaïn. Ze namen zich vrouwen ui allen die zij verkozen hadden. Maar wat was er nu verkeerd in deze huwelijken? Ze kozen slechts wat hun ogen zagen: dat ze schoon waren, en dat was alles waar ze naar keken. Ze volgden de keuze, die hun eigen verdorven gevoelens deden. Maar wat zo ‘n slecht gevolg daarvan voor henzelf bleek te zijn, was dat ze een ander juk aantrokken met de ongelovigen. De slechten zullen eerder de goeden bederven dan de goeden de slechten zullen veranderen.” (blz. 25)

Het gaat hier dus niet over de “zonen Gods” als gevallen engelen, maar eerder over twee verschillende bevolkingsgroepen, waarvan de één afgeweken was van God en Zijn geboden, en de ander (de nakomelingen van Seth) die hun wandel met God tot dan toe had bewaard, tot ook zíj de fout ingingen door de dochters van de Kaïnieten tot vrouw te nemen. En zo verliet ook het nageslacht van Seth net zoals de Kaïnieten eerder hadden gedaan, God en Diens geboden. En zo verviel de hele toen bekende mensheid tot slechtheid op enkele mensen na: Noach en zijn familie. Het was dus om die reden dat God uiteindelijk besloten had, de mensheid op Noach en zijn familie na, te verdelgen middels een wereldwijde vloed. Het waren zij, die in tegenstelling met de grote meerderheid hun wandel met God hadden weten te bewaren en daarom vond Noach genade in Gods ogen.

Nader Inzicht op de “Reuzen.” 

Nu zullen we wat nader op die “reuzen” van die tijd ingaan. En Matthew Henry (die we hier net hebben geciteerd), had er dit over geschreven:

“Een verder verslag van de verdorvenheid van de oude wereld. De verzoeking waaraan ze waren blootgesteld om te onderdrukken en gewelddaden te plegen. Zij waren reuzen en zij waren geweldigen. Met hun reuzengestalte als de zonen van Enak, Num. 13:33. Met hun grote naam, zoals de koning van Assyrië, Jes. 37:11. Zij die een zo grote macht over anderen hebben dat ze in staat zijn hen te onderdrukken, hebben zelden zoveel macht over zichzelf om niet te onderdrukken. De beschuldiging die tegen hen ingebracht en bewezen werd, vs 5. Waar had God nu aandacht aan geschonken? Hij bemerkte al die stromen van zonde, die voortstroomden in de levens van de mensen en de breedte en de diepte van die stromen. De onderdrukkers waren geweldigen, mannen van naam. En toen zag de HEERE, dat de boosheid van de mensen meningvuldig was. De boosheid van een volk is inderdaad groot, wanneer de grootste zondaars mannen van naam zijn onder hen. Boosheid is dán groot, wanneer grote mannen slecht zijn.” Idem)

Deze “reuzen” waren dan ook eigenlijk tirannen, die anderen onderdrukten en terroriseerden. Aldus vervielen ook de volken over wie zij heersten, tot dezélfde misdaden. En nadat er niets of niemand meer te onderdrukken was, was hun slechtheid volkomen. Het waren echter Noach  en diens familie die zich niet aan deze grote misdaden hadden overgegeven. En om die reden werden zij gered en de rest der mensheid door de wereldwijde vloed verzwolgen. De apostel, Petrus, schreef het volgende in zij Tweede Zendbrief:

“En als God de oude wereld niet gespaard heeft, maar het achttal van Noach, de prediker van de gerechtigheid, bewaard heeft, toen Hij de zondvloed over de wereld van de goddelozen bracht.” (2 Petrus 2:5)

Noach wordt hier “de prediker van de gerechtigheid” genoemd. En dit wil zeggen dat hij zijn goddeloze tijdgenoten in die tijd gewaarschuwd had voor het komende oordeel Gods. Het verhaal gaat dat hij dit voor circa 125 jaar zou hebben gedaan. Verder wordt er beweerd dat toen Noach en zijn zonen aan de bouw van de ark bezig was, de mensen hen bespotten en verachten. Een komend oordeel Gods in de vorm van een wereldwijde vloed zoals Noach al zolang beweert? Onmogelijk! In die tijd was er nog geen spraken van “regen”; de aardbodem werd tot aan de vloed toe bevochtigd door een damp die uit de aarde opsteeg. (Genesis 2:4-6) Dus ook Noach en zijn familie zullen hun deel aan onderdrukking en terreur van die inmiddels verdorven “reuzen” hebben ontvangen totdat zij door God via de ark werden gered terwijl de rest van de verdorven mensheid door de vloed omkwam.

Lukas 17: en Zoals het Gebeurde in de Dagen van Noach…”

Nu zijn er, die menen dat een dergelijke gebeurtenis waarbij gevallen engelen via een huwelijk met vrouwen waaruit volgens hen die “groteske schepsels” uit voortgekomen zouden zijn, weer ergens in de Eindtijd plaats zal gaan vinden. Zij verwijzen hier dan naar Lukas 17:26-27, waar we er dit lezen:

“En zoals het gebeurde in de dagen van Noach. zo zal het ook zijn in de dagen van de Zoon des mensen. Zij aten, zij dronken, zij namen ten huwelijk en zij werden ten huwelijk gegeven tot op de dag waarop Noach de ark binnenging en de zondvloed kwam en hen allen om deed komen.” 

Alleen al omdat hier over “de dagen van Noach” gesproken wordt, is voor hen die de “gevallen engelen & vrouwen-theologie” aanhangen al voldoende bewijs dat het hier gaat om een huwelijk tussen gevallen engelen (demonen) en vrouwen in die verre tijd. En dit, zo redeneren zij, zou dan een herhaling worden “in de dagen van de Zoon des mensen.” Allereerst is hier niets van een vermeend huwelijk tussen gevallen engelen en vrouwen te bekennen. Als we dan ook nog een de verzen daarná lezen, wordt het duidelijk waar het hier wérkelijk om gaat:

“Op dezelfde manier ook, zoals het gebeurde in de dagen van Lot: zij aten, zij dronken, zij kochten, zij verkochten, zij plantten, zij bouwden. Op de dag echter waarop Lot uit Sodom wegging, regende het vuur en zwavel uit de hemel en bracht hen allen om. Evenzo zal het zijn op de dag waarop de Zoon des mensen geopenbaard zal worden.” (verzen 28-30)

Zagen we bij hetgeen Jezus over de tijd van Noach zei, al niets over die gevallen engelen en een huwelijk met vrouwen, in wat Hij over de tijd van Lot zei, zijn zij al helemáál afwezig! En ook in de geschiedenis van de aankondiging door God aan Abraham dat Hij  Sodom en Gomorra zou verwoesten en de verwoesting van die steden zelf (Genesis 18 en 19:1-29), lezen we niets over die engelen en vrouwen die een huwelijksverbond met elkaar aangegaan zouden hebben. Welnu, waar gaat het hier dan wél om? Het gaat hier over het feit dat net zoals de mensheid ten tijde van zowel Noach als Lot, terwijl het oordeel Gods aanstaande was, slechts erin geïnteresseerd was te eten, te drinken, te huwen, uit te huwen, te bouwen te bebouwen etc. En dit, zo maakte Jezus veel later met die twee voorbeelden duidelijk, zal ook weer zo zijn vlak voor de Tweede Komst van Christus, wanneer Hij voor eenieder zal worden geopenbaard. Men zal er gewoon niet in geïnteresseerd zijn of Jezus nu wél of níet terug zal keren. Daar de wereld in die tijd volkomen goddeloos zal zijn, zal Zijn Tweede Komst echter een godsoordeel met zich meebrengen. En zo zullen allen die een goddeloos leven zullen leiden, hierdoor worden omgebracht, net zoals dit gebeurde met de mensheid ten tijde van Noach en Lot!

“Denk aan de Vrouw van Lot.”

Jezus had echter ook iets te zeggen over wat de vrouw van Lot overkwam. Als we hier alleen het verslag van in Genesis over lezen, krijgen we de indruk dat toe Lot en zijn vrouw uit Sodom wegtrokken, zijn vrouw tijdens hun vlucht nog even omkeek naar de stad en zodoende in een zoutpilaar zou zijn veranderd. De engelen van God die Lot, zijn vrouw en beide dochters uitgeleide uit de stad deed, vermaanden hen sterk om niet om te kijken en om niet stil te blijven staan tijdens hun vlucht. (Genesis 19:17) Lot echter, deed dit niet en hem bleef eenzelfde lot bespaard. Zo wordt dit ook nu nog in verschillende boeken die over die geschiedenis gaan, zo weergegeven: Lot’s vrouw keek op een afstand om naar Sodom en werd alzo een zoutpilaar; Lot zelf deed dit echter niet en wist heelhuids te ontkomen. Jezus vertelde hier echter in verband met Zijn Tweede Komst nog het volgende over:

“Wie op die dag op het dak zal zijn, met zijn huisraad in huis, moet niet naar beneden gaan om het mee te nemen. En wie op de akker is, moet evenmin terugkeren naar wat hij achterliet. Denk aan de vrouw van Lot.” (verzen 31-32)

En hier wordt het duidelijk: de vrouw van Lot keek niet slechts achterom naar Sodom terwijl zij en haar man op de vlucht om aan het godsoordeel over Sodom te ontkomen; zij keerde ook nog eens terug naar de stad, naar hun huis om er aan bezittingen te redden wat er nog van te redden zou zijn; aldus kwam het oordeel niet slechts over de goddeloze inwoners van die stad, maar kwam zij zelf hier ook bij om! Het verhaal dat zij op een afstand omkeek naar de stad en vervolgens in een zoutpilaar zou zijn veranderd, is dan ook niets anders dan een verzinsel! En wat die “Reuzen” betreft,  we zien dat die “reuzen” overeenkomstig het bijbels verslag werkelijk bestaan hebben, maar dit waren niet die “afschuwelijke schepsels” die het product zouden zijn geweest van een huwelijk tussen gevallen engelen en de “dochters der mensen”! En tenslotte nog dit: wát Jezus met deze twee historische gebeurtenissen aangaande Noach en Lot duidelijk wilde maken, is dat wij allen nuchter een waakzaam zullen moeten zijn. Want ook nu, leven we in een tijd waar het in deze dan over de naderende Tweede Komst van Christus gaat, het overgrote deel der mensheid maar weinig is geïnteresseerd in Zijn Komst (die vergezeld zal gaan met een godsoordeel). Zij echter, de Christenen die al nuchter en waakzaam zijnde, uitzien naar Zijn terugkeer, zullen aan dit oordeel ontkomen terwijl de rest, net zoals dit het geval was met de mensheid in de dagen van Noach en Lot, hierbij om zullen komen. 

 

Ton Nuiten – Donderdag 29 Augustus 2019.

 

Introduction: We hadden besloten deze site slechts aan Bijbelstudies te wijden; nu hadden we er al enkele van deze studies op https://tinthor.org gepubliceerd. We vonden dat we er hier echter een enkele site aan zouden moeten besteden. Hier is de eerste pagina met een uitgebreide verhandeling van verschillende bijbelse onderwerpen.

 

Degenen onder ons die hun Bijbel een beetje kennen, zullen zeker weten dat een van de woorden die er op verschillende plaatsen in de Bijbel te vinden is, (naast het woord “Israël”) het woord, “Jood” of “Joden” is.  Voornamelijk in het Evangelie naar Johannes is dit het geval. Enkele voorbeelden: dat Jezus de verlamde man te Bethesda heeft genezen, viel dit niet goed bij de Joden:

“De man ging weg en berichtte de Joden dat het Jezus was Die hem gezond gemaakt had. En daarom vervolgden de Joden Jezus en probeerden zij Hem te doden, omdat Hij deze dingen op de sabbat deed.” (Johannes 5:15-16)

“Jezus dan zei tegen de Joden die in Hem geloofden: Als u in Mijn woord blijft, bent u werkelijk Mijn discipelen, en u zult de waarheid kennen, en de waarheid zal u vrijmaken.” (Johannes 8:31)

“Maar de Joden stookten de godvrezende en aanzienlijke vrouwen en de voornaamsten van de stad op en ontketenden een vervolging tegen Paulus en Barnabas, en zij verdreven hen uit hun gebied.” (Handelingen 13:50)

 

“Jood” of “Judeeër”? 

 

Zoals hierboven te zien is, bevatten deze passages (en hier zijn nog meer voorbeelden van te vinden in het Nieuwe Testament) het woord, “Joden.” De vraag is nu: ís het woord “Jood” of “Joden” wel de oorspronkelijke vertaling geweest? In de Herziene Statenvertaling vanwaar we bovenstaande verzen hebben geciteerd, lezen we in het Oud-Testamentische boek der Koningen het volgende:

“In diezelfde tijd bracht Rezin, de koning van Syrië, Elath terug aan Syrië en verdreef hij de Judeeërs uit Elath.” (2 Koningen 16:6)

Het is hier dat we het woord “Judeeërs” tegenkomen en dit geeft een heel ander licht op de zaak. En als we heel beknopt de geschiedenis van de vele bijbelvertalingen doornemen, zal het duidelijk worden: voordat het woord “Jood” of “Joden” ingang vond in de vele bijbelvertalingen, werd daar waar we deze woorden nu lezen, het woord “Judeeër” of “Judeeërs” gevonden! Het woord “Jood” verscheen voor het eerst in 1775. Wíe hij ook was die hier verantwoordelijk voor was weten we niet; wat we echter wél weten, is dat dit inmiddels voor veel verwarring heeft gezorgd. Zoals het woord in 2 Koningen 16:6 is vertaald, nl. “Judeeërs”, zo behoort het ook overal elders in de Bijbel vertaald te zijn.

 

Benjamin Freedman: “Facts are Facts.” 

 

Iemand die in het verleden goed heeft uitgelegd waarom de oorspronkelijke vertaling “Judeeër” dan wel “Judeeërs” moet zijn, was de Joodse Christen, Benjamin Freedman. In zijn “Facts are Facts” vertelt hij o.a dat de overgrote meerderheid der Joden eigenlijk van Khazariaanse afkomst is. https://biblicisminstitute.wordpress.com/2014/08/29/the-word-jew-is-not-in-the-bible/

 

Jezus de Judeeër: Verworpen door Zijn Mede-Judeeërs. 

 

Wanneer we overal daar waar we het woord “Jood” of “Joden” lezen en dit vervangen door “Judeeër” of “Judeeërs”,worden er bepaalde dingen duidelijk. Jezus Zelf was een Judeeër ten tijde van Zijn omwandeling hier op aarde. In Johannes 1:11 lezen we dit:

“Hij kwam tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.”

Als het hier nu om “de Joden” (want hiermee wordt officieel geheel Israël mee bedoeld)  zou gaan waarvan de overgrote meerderheid Hem had verworpen, zou dit nogal vreemd zijn; in de evangelieën lezen we immers dat Jezus veel aanhangers had in verschillende regio’s van Israël. Hoe kan het dan dat we desondanks toch lezen dat de “Zijnen” Hem niet hadden aanvaard? De verwarring die hierbij is ontstaan, is dat vele Christenen Israël ten tijde van Jezus als ook het huidige Israël als (bijna) geheel “Joods” zien. Geheel Israël was destijds vnl. samengesteld uit Joden, zo menen zij. Zij hebben dan ook geen kennis van de achtergrond betreffende de hervertaling van het woord “Judeeër” naar “Jood” in 1775! Maar als we hier “Judeeërs” lezen in plaats van “Joden”, wordt het duidelijk: Jezus kwam als Judeeër tot Zijn mede-Judeeërs en het zijn nu zij die Hem niet hadden aanvaard! In de provincie, Galilea, bijvoorbeeld had Jezus juist een grote aanhang aan volgelingen! Het was nl. in Judea dat Jezus herhaaldelijk werd blootgesteld aan tegenstand en vervolging. In Johannes 11 lezen we over de opwekking van Lazarus die korte tijd daarvoor overleden was. Jezus die op dat moment elders verblijft, krijgt vanuit Judea te horen dat Lazarus ziek is en of Hij wil komen om hem te genezen. Hij besluit echter nog twee dagen te blijven. En,

“Daarna zei Hij tegen de discipelen: Laten wij weer naar Judea gaan. De discipelen zeiden tegen Hem: Rabbi, de Joden hebben U onlangs nog geprobeerd te stenigen, en gaat U daar weer heen?” (verzen 7-8)

Als we hier de woorden “de Judeeërs” plaatsen in plaats van “de Joden” past dit ook veel beter in deze passage:

“Daarna zei Hij tegen Zijn discipelen: Laten wij weer naar Judea gaan. De discipelen zeiden tegen Hem: Rabbi, de Judeeërs hebben U onlangs nog geprobeerd te stenigen, en gaat U daar weer heen?” 

En het wordt nog duidelijker in de verzen 53-54:

“Vanaf die dag waren zij” (de overpriesters en de Farizeeën) “vastbesloten om Hem te doden. Jezus dan verkeerde niet mee openlijk onder de Joden, maar Hij ging vandaar naar het land bij de woestijn, naar een stad die Efraïm heette, en verbleef daar met Zijn discipelen.” 

Efraïm was een stad die net zoals andere steden, bij Israël hoorde. Aangezien Jezus met Zijn volgelingen naar die stad gegaan was om de Joden te ontlopen, betekent dit natuurlijk dat er in EfraIm  geen Joden (of beter, geen Judeërs) woonden. Wel Israëlieten. En dit wil weer zeggen dat de bevolking van Israël als geheel weliswaar Israëlieten waren (niet-Judeërs dus) en dat het slechts de Judeërs waren die in ons huidige taalgebruik nu Joden noemen. Door de bevolking van het oude Israël als geheel als Joden te beschouwen, is dan ook niet juist. Het waren dan ook de overpriesters, oudsten, de Farizeeërs en de Judeërs die Jezus nadat Hij een grote aanhang gekregen had in Judea vanwege de wonderbaarlijke opwekking uit de dood van Lazarus, wilden doden. Zou het echter het grootste deel van Israël zijn geweest wat Jezus wilde doden, dan zou Hij dan ook niet lang veilig in Efraïm zijn gebleven; ook daar zou er dan spoedig na Zijn komst in de stad een oproep uitgegaan zijn om Hem te doden. Maar zoals we zien, was dit nooit gebeurd. Waren het dus “dé Joden” die Jezus hadden gedood? Nee, het waren de Judeërs. En Judea was tijdens de bediening van Jezus in Israël slechts een provincie.

 

“Zie, zijn het niet allen Galileeërs Die Daar Spreken?” Kerk Gesticht door God via Niet-Judeeërs. 

 

Als het tijdens discussies over Israël en het Joodse volk gaat en een van de onderwerpen die hierbij worden besproken wordt, de stichting van de Kerk zoals in het boek, Handelingen (Handelingen 2) is opgetekend, is, heeft men het vaak zo niet altijd over een “Joodse Kerk.” Men beweert dan dat de eerste kerk gesticht werd door Joden. Later echter, zo gaat het verhaal, kwamen er de heidenen (waarmee men dan de niet-Joden bedoelt) en toen die laatsten er eenmaal een meerderheid geworden waren, dreen die er de Joden uit en veranderden er de Joodse feestdagen en gebruiken of schaften er enkele daarvan af. Wat dit laatste betreft, wijst men hierbij het tijdvak der Kerkvaders aan (circa in het midden van de 2e eeuw). En zo, zegt men, is ook het zgn. “christelijke anti-Semitisme” begonnen. Kerkvaders zoals o. a. Ireaneus, Johannes Chrysostomes, wordt het dan verweten zich zeer negatief over de Joden te hebben uitgelaten. En dit “anti-Semitisme” zou zich vervolgens door de daarop volgende eeuwen hebben voortgezet tot circa eind 1700 begin 1800. Maar zijn het wel uitsluitend Joden geweest die er door God gebruikt werden om er de Kerk in Jeruzalem te stichten? De stichting van de Kerk, zo lezen we er in Handelingen 2, ging gepaard met het “spreken in vreemde talen”, een bovennatuurlijke gave die de apostelen in de bovenkamer van het gebouw waar zij zich in die tijd bevonden, gegeven werd. Het was een gave waarmee God de apostelen in staat stelde, die Joden die in die tijd te Jeruzalem verbleven en die er waren o er he Pinksterfeest te vieren, het Evangelie in ieder hun eigen taal te verkondigen; zij óf hun ouders waren veel eerder vanuit Israël naar landen zoals Egypte, Arabië en andere landen geëmigreerd en hadden op den duur hun eigen taal verleerd. Het gevolg was dat zij van die tijd af slechts nog de taal van het land waar zij of hun voorouders heengegaan waren, spraken. Zouden nu de apostelen er de mensen die er in Jeruzalem verbleven slechts in staat zijn geweest het Evangelie in hun eigen taal te verkondigen, dan zou dat -hoe kan het ook anders- geen enkel resultaat hebben opgeleverd om de eenvoudige reden dat de toehoorders hen niet verstaan laat staan begrepen zouden hebben. Om die reden schonk God Zijn Heilige Geest aan de apostelen gepaard gaande met het spreken in vreemde doch bestaande aardse talen en het profeteren. Aldus hoorden ook deze Joden uit vreemde landen voor het eerst het Evangelie “in onze eigen taal, waarin wij geboren zijn”, tot hen spreken. En hiermede is de overtuiging binnen de charismatische beweging dat het “spreken in nieuwe tongen” een voor iedereen onbekende “hemelse taal” of “engelentaal”  zou zijn, weerlegd. Maar wat waren dit nu voor mannen waarmee God er Zijn Kerk had gesticht? Degenen die er de apostelen het Evangelie hoorden verkondigen, geven zelf het antwoord:

“Zie, zijn het niet allen Galileeërs die daar spreken? En hoe kunnen wij hen dan horen, eenieder in onze eigen taal, waarin zij geboren zijn?” 

Galilea was net zoals Judea in de dagen van Jezus een der provincies van Israël. Dus waren de apostelen in tegenstelling met de Judeeërs dan ook niet-Judeeërs (of volgens het moderne spraakgebruik, niet-Joden). Door wie had God de Kerk dus gesticht? Juist, door niet-Joden. En dit maakt natuurlijk al dat  hoewel  er  ook wel Joden binnen die kerk waren, die een niet-Joodse maar vnl. een heidense Kerk was!

 

Het Begin van de Bediening van Jezus: “Het Galilea Waar de Heidenvolken Wonen.” 

 

Ook nu nog wordt door Christenen aangenomen dat Jezus het Evangelie het eerst alleen aan de Joden zou hebben gebracht. Dit is echter deels een misvatting. In Het boek van de profeet, Jesaja, lezen we er nl. dit:

“Voorzeker, er zal geen donkerheid blijven voor het land waarin benauwdheid is. Zoals Hij in vroeger tijd minachting heeft gebracht over het land van Zabulon en over het land van Naftali, zo zal Hij in later tijd eer bewijzen aan de Weg van de zee, de overkant van de Jordaan, het Galilea waar de heidenvolken wonen. Het volk dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien. Zij die wonen in het land van de schaduw van de dood, over hen zal een licht schijnen.” (jesaja 8:32, 9:1)

Dan gaan we nu naar het Evangelie naar Mattheüs:

“Toen Jezus gehoord had dat Johannes overgeleverd was, keerde Hij terug naar Galilea. Hij verliet Nazareth en ging wonen in Kapernaüm, dat aan de zee lag, in het gebied van Zebulon en Naftali, opdat vervuld zou worden wat door de profeet Jesaja gesproken werd toen hij zei: Land Zebulon en land Naftali, gebied over de weg naar de zee en over de Jordaan, Galilea van de volken, het volk dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien; en voor hen die zaten in het land en de schaduw van de dood, is een licht opgegaan. Van toen af begon Jezus te prediken en te zeggen: Bekeer u, want het Koninkrijk de hemelen is nabijgekomen.?  (Mattheüs 4:12-17)

Het was dus te Galilea waar Jezus voor het eerst Zijn bediening begon. En de Israëlieten die er destijds woonden, waren voor het grootste deel geen Judeeërs (Joden) maar heidenen. Dus werd het Evangelie er het eerst gebracht aan voornamelijk  Israëlitische niet-Joden. Om die reden is het dan ook onjuist om zoals Christenen dit ook vandaag nog doen, het hele volk Israël als Joden te beschouwen. En zoals we al gezien hebben, de apostelen die er destijds door middel van vreemde bestaande talen het Evangelie in Handelingen 2 verkondigden, waren uit Galilea afkomstig en daarom dan ook heidenen. 

 

Jezus uit Galilea: de Verwarring onder de Farizeeën. 

 

Zoals bekend zal zijn voor de bijbellezers, ontkenden de Farizeeën dat Jezus de Messias was vnl. omdat Hij in hun ogen regelmatig de Sabbat schond; her aren plukken door Jezus’ discipelen op de Sabbat en de genezing van de man met een verschrompelde rechterhand zijn twee van die voorbeelden. (Lukas 6:1-11) De Sabbat werd als een van de meest heilige dagen door de Farizeeën beschouwd. Schending hiervan werd als een “doodzonde” gezien. Zowel dat wat de disipelen deden en het wonder wat Jezus op de heiligste dag verrichtte, werd door de Farizeeën als het verrichten van werk beschouwd. En werken op de Sabbat was nu eenmaal streng verboden. Om die reden zo redeneerden zij, kón Jezus dan ook de Messias niet zijn. Maar er was nog een ándere reden dat zij Jezus als de Messias diskwalificeerden; Hij was nl. niet uit Juda afkomstig. En de Farizeeën waren er maar al te goed op de hoogte van de profetie ven Micha dat de Messias uit Juda voort zou komen:

“En u, Bethlehem-Efratah, al bent u klein onder de duizenden van Juda, uit u zal Mij voortkomen Die een heerser zal zijn in Israël. Zijn oorsprongen zijn van oudsher, van eeuwige dagen af.” (Micha 5:1)

In Johannes 7 lezen we dat de Farizeeën er dienaars op uitgestuurd hadden om Jezus te arresteren en voor de Raad te brengen. Vers 32) Die keren echter onverrichterzake terug. Op de vraag van de Farizeeën waarom zij Hem niet meegebracht hadden zeiden de dienaars dat zij nog nooit iemand hadden gehoord die zó kon spreken. De Farizeeën vragen hen of zij soms ook door Jezus misleid waren. En Nicodemus die eerder ‘s nachts heimelijk een bezoek aan Jezus had gebracht (Johannes 3:1-27), vraagt zijn  mede-Farizeeën of de wet iemand veroordeelt, vóórdat men kennis heeft genomen van wat hij is en doet. (verzen 45-51) Waarop de Farizeeën hem dit antwoord gaven:

“Bent u soms ook uit Galilea? Onderzoek en zie dat in Galilea geen profeet is opgestaan.” (vers 52)

En met de profetie uit Micha levendig in hun gedachten gingen zij ieder naar hun huis. De verwarring die er onder de Farizeeën omtrent Jezus’ afkomst was echter te begrijpen. Nadat bekend geworden was dat Jezus geboren was, waren er wijzen uit het Oosten die na het horen hiervan op reis gegaan naar Jeruzalem. Zij vertellen er koning Herodes dat de “Koning van de Joden” geboren is en vragen hem waar zij Hem kunnen  vinden. Herodes laat vervolgens alle overpriesters en schriftgeleerden bij zich roepen om deze vraag beantwoord te krijgen:

“Zij zeiden tegen hem: In bethlehem, in Judea, want zo staat het geschreven door de profeet: En u, Bethlehem, land van Juda, bent beslist niet de minste onder de vorsten van Juda, want uit u zal de Leidsman voortkomen Die Mijn volk weiden zal.” (zie Mattheüs 2:1-6)

De Joodse geleerden waren er dus goed op de hoogte van, waar de Koning/Messias geboren zou worden. En nu was het dan zover. Herodes verlangt van de wijzen dat zij als zij eenmaal in Juda aangekomen zullen zijn, zij later weer naar hem terug zullen keren om hem te vertellen, wáár precies Jezus in Bethlehem geboren is; dit opdat hij er dan ook heen zal gaan om de pasgeboren Koning te aanbidden. Zij krijgen later echter in een goddelijke droom te verstaan dat zij niet naar Herodes terug moeten keren maar langs een andere weg naar hun land toe te gaan. En Jozef en Maria worden door een engel Gods in een droom vermaand het Kind te nemen, naar Egypte te gaan om nadat Herodes overleden zal zijn, dan pas weer terug te keren. Nadat Herodes merkt dat hij door de wijzen is misleid, maakt hem dit zo woedend dat hij er enkele soldaten op uitstuurt om er te Bethlehem en omgeving alle jongetjes van onder de twee jaar om te brengen; dit in de hoop dat daar ook Jezus onder zal zijn. Nadat Herodes eenmaal overleden was, kregen Jozef en Maria opdracht van de engel Gods weer terug te keren. (Mattheüs 2:7-23) Zo keerden zij weer terug naar Israël. Maar,

“Toen hij echter hoorde dat Archelaüs in Judea koning was in de plaats van zijn vader Herodes, was hij bevreesd daarheen te gaan. Maar nadat zij door een aanwijzing van God in een droom gewaarschuwd waren, vertrok hij naar het gebied Galilea. En toen hij daar gekomen was, ging hij wonen in een stad die Nazareth heette, zodat vervuld werd door de profeten gezegd is: dat Hij Nazarener genoemd zal worden.” (verzen 22-23)

Dat Jozef, Maria en het Kond Jezus achteraf in Nazareth in Galilea waren gaan wonen, was de Farizeeën onbekend. Daar het in Galilea was waar Jezus met Zijn bediening begonnen was, namen zij aan dat Hij daar ook geboren moest zijn en dan ook niet de geprofeteerde Messias in de profetie van Micha kon zijn. Alzo zullen zij Jezus als een valse (niet-Joodse) Messias hebben beschouwd. Maar zoals we gezien hebben, het feit dat Jezus geboren was in Bethlehem (Judea), maakte dat Jezus wel dégelijk een “Jood” (Judeeër) was! Ook onder de bevolking zelf was men het er niet over eens of Jezus nu wél of niet de Messias was:

“Velen dan uit de menigte dit dit woord” (van de prediking van Jezus) “hoorden, zeiden: Hij is werkelijk de Profeet. Anderen zeiden: Hij is de Christus. En weer anderen zeiden: De Christus komt toch niet uit Galilea? Zegt de Schrift niet dat de Christus komt uit het geslacht van David en uit het dorp Bethlehem, waar David was? Er ontstond dan verdeeldheid onder de menigte vanwege Hem.” (Johannes 7: 40-43)

Nu zouden we kunnen zeggen daar zij niet wisten dat Jezus in Bethlehem te Judea geboren was, zij dan ook ergens een excuus zouden hebben om Hem als Messias te verwerpen. Maar de vele opzienbarende wonderen en tekenen die Jezus onder hen deed, waren juist bedoeld om hen Zijn Messiasschap te bewijzen. Maar,

“Als Ik niet gekomen was en tot hen gesproken had, hadden zij geen zonde, maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hun zonde. Wie Mij haat, haat ook Mijn Vader. Als Ik onder hen niet de werken gedaan had die niemand anders gedaan heeft, hadden zij geen zonde, maar nu hebben zij ze gezien en Mij en Mijn Vader gehaat. Marar het woord moet vervuld worden dat in hun wet geschreven is: Zij hebben Mij zonder reden gehaat.” Johannes 16:22-25)

Zou Jezus het Evangelie noch de vele “werken” (wonderen en tekenen) niet onder hen hebben verkondigd en verricht, dan zouden zij een excuus hebben gehad Hem niet als de Messias te erkennen. Daar Hij hen de Goede Tijding had gebracht en die wonderen echter toch gedaan had en zij Hem desondanks niet als de Messias hadden erkend, hadden zij nu geen voorwendsel (excuus) meer voor hun zonde van afwijzing van Jezus als de Messias.

 

Het Heil uit de Joden? 

 

Een ander argument wat door de christenzionisten wordt gebruikt om het te doen voorkomen dat geheel Israël als “heilig” (en dus immuun voor kritiek) wordt beschouwd, is dat zij erop wijzen dat het “Heil” (Jezus Zelf) “uit “de Joden” was. Met “Joden” bedoelen zij dus geheel Israël, de twaalf stammen in hun geheel. Tijdens Zijn conversatie met de Samaritaanse vrouw bij de bron van Jakob (Hohannes 4) vertelde Jezus de vrouw o.a. dit:

“U aanbidt wat u niet weet; wij aanbidden wat wij weten, want de zaligheid is uit de Joden.” (vers 22)

De vrouw was zoals de naam het al aangeeft, afkomstig uit de provincie Samaria en men was er van mening dat God vanaf de berg, Gerizim, aanbeden moest worden terwijl men dit in Judea vanuit Jeruzalem deed. Het woord “Joden” dient dan ook hier te worden vervangen met “Judeeërs.” Dus was de zaligheid (het Heil) “…uit de Judeeërs.” Dit had dus geen betrekking op geheel Israël maar slechts op een der provincies van dit land. Tevens moet hier de nadruk worden gelegd op het woordje, “uit”. en niet “van”. Dit vermelden we er even bij daar er zijn die menen dat omdat Jezus “van” de stam Juda afkomstig was, zo geheel Juda (en eigenlijk bedoelen zij hier ook geheel Israël mee) “heilig” zou zijn. Het Heil was wel afkomstig uit de Joden, maar die hebben hier echter niets aan bijgedragen; het was slechts de soevereine wil van God, waardoor Jezus uit Juda voortgekomen was.

 

De Judeeërs: Racisten in de Tijd van Jezus. 

 

Zoals de geschiedenis in  Johannes 4 al laat zien, rustte Jezus, vermoeid van de reis, uit bij de bron van Jakob te Sichar. Nadat de Samaritaanse vrouw bij de bron is gekomen, vraagt Jezus haar Hem te drinken te geven. Let nu eens op haar reactie:

“Hoe vraagt U, Die een Jood bent, van mij te drinken, die een Samaritaanse vrouw ben?” (vers 9) In ditzelfde vers staat er dan tussen haakjes het volgende achter te lezen:

“(Want Joden hebben geen omgang met Samaritanen.)” 

Als de juiste vertaling van dit vers “Joden” zou impliceren, zou men denken dat het geheel Israël zou zijn geweest wat geen omgang (sociaal verkeer) met de Samaritanen wenste; zoals al aangegeven, werd (bijna) geheel Israël als “Joods” beschouwd en dat wordt het door de christenzionisten nog steeds als zodanig beschouwd. Maar als we het woord “Joden” met “Judeeërs” vervangen, wordt het duidelijk: het waren de Judeeërs die geen sociaal verkeer wensten met Samaritanen daar zij van zichzelf meenden, een uitverkoren volk van God te zijn en de Samaritanen als een van de “inferieure volken” beschouwden waarvan zij het niet waardig achtten hier ook maar het minste contact mee te ondehouden! De Samaritaanse vrouw zal daarom vreemd op hebben gekeken toen zij (vermoedelijk voor het eerst) een Judeeër bij de bron van Jakob zag; een Judeeër, hier, bij de bron van Jakob? Maar die komen hier anders nooit daar zij ons, Samaritanen, te min achten om er sociale relaties te onderhouden! Wat doet déze Judeeër dan hier! Als Jezus Zich tijdens het gesprek met de Samaritaanse vrouw bekend maakt als de Messias, leidt dit ertoe dat vele Samaritanen in Hem gaan geloven. (verzen 25-30, 39-42) De benaming Samaritaan werd door de Judeeërs in die tijd ook als een scheldwoord gebruikt zoals blijkt uit een van de confrontaties dei Jezus met hen had. (Johannes 8) Jezus verweette hen erop uit te zijn op Zijn dood (vers 40) en Hij zei tegen hen o.a. dit:

“U bent uit uw vader de duivel, en wilt de begeerten van uw vader doen; die was een mensenmoordenaar van het begin af, en staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij vanuit wat van hemzelf is, want hij is een leugenaar en de vader van de leugen.” (vers 44)

Dan verwijt Jezus hen dat zij de woorden Gods (die Hij tot hen spreekt) niet kunnen horen (= niet kunnen begrijpen) omdat zij geen zonen van God zijn; zou dit wél het geval zijn, dan zouden de Judeeërs van God afkomstig zijn. De reactie van de Judeeërs op wat Jezus hen vertelde:

“De Joden” (Judeeërs) “dan antwoordden en zeiden tegen Hem: Zeggen wij niet terecht dat U een Samaritaan bent en door een demon bezeten bent?” (vers 48)

Hun antwoord op wat Jezus hen vertelde, laat aan de verbeelding niets te wensen over: De Judeeërs (en niet “geheel Israël) waren de grootste racisten in de tijd van Jezus! 

 

“Maar Deze Menigte, die de Wet niet Kent…” 

 

Het waren echter de Farizeeën (de heersende priesterschap met veel macht en invloed in het oude Israël) die de grootste racisten waren. Het komt hen op een zeker moment ter ore dat men zich binnen de grote menigte die Jezus volgde afvroeg dat wanneer de Messias zou komen, hij meer wonderen zou doen dan Jezus al had gedaan. Men had Hem dus (nog) niet herkend als de wáre Messias. (Johannes 7) De Farizeeën beschouwen hetgeen door de menigte werd geopperd als een grote bedreiging voor hun overheersende positie en sturen er zoals eerder gezegd, hun dienaars erop uit om Hem op te pakken. (verzen 31-32) Zij keren later echter onverichterzake terug; op de vraag van de Farizeeën waarom zij Jezus niet hebben gearresteerd, antwoorden de dienaars dat er nog nooit iemand zó had gesproken als Jezus had gedaan. Het antwoord van de Farizeeën laat dan zien hoe zij over de menigten die Jezus volgde dachten:

“De Farizeeën dan antwoordden hun: Bent u soms ook misleid? Heeft iemand van onze leiders soms in Hem geloofd, of van de Farizeeën? Maar deze menigte, die de wet niet kent, is vervloekt.” (verzen 47-49)

En dit was dan de mening van deze “godsgeleerden” over de aanhang die Jezus volgde; zijzelf waanden zich superieur tegenover allen die zij minachtten, inclusief de talloze Israëlische (niet-Judese) aanhangers van Jezus!

 

“Wie Joden Minacht, Vervloekt Hen Al.” 

 

Over het “minachten” gesproken, recent heeft de christenzionist, Dirk van Genderen, een artikel op zijn website gepubliceerd waarin hij beweert dat zij die Israël en het Joodse volk minachten, hen al vervloekt. Hier heeft hij het echter niet slechts over degenene die dit inderdaad (zouden) doen; ook hén die er een ándere mening over Israël en het Joodse volk er op nahouden (degenen die in de zgn. “vervangingstheologie” geloven die leert dat de christelijke kerk de plaats ingenomen zou hebben) komen er niet al te goed vanaf. Ook zij, zo geeft Van Genderen te verstaan, minachten (“vervloeken”) Israël op deze wijze en halen zich om  die reden vroeg of laat een oordeelsvonnis van God over zich heen:

“Maar ik denk ook aan alle theologen die zich keren tegen Israël en tegen het Joodse volk. Wie met de Bijbel in de hand beweert dat Israël heeft afgedaan, dat er geen toekomst voor het Joodse volk en dat de kerk in plaats van Israël is gekomen, vervloekt Israël in de eerdere betekenis van kalal.” https://www.dirkvangenderen.nl/2017/03/03/wie-joden-minacht-vervloekt-hen-al/

 

Dirk van Genderen: Bevooroordeeld & Verblind. 

 

Het is ronduit onvoorstelbaar wat Van Genderen hier beweert over hen die zónder Israël en het Joodse volk te minachten een andere mening hierover hebben! En die is dat Israël en het Joodse volk geen toekomst als het uitverkoren volk van God hebben; het gaat hier dus niet om het bestaansrecht van Israël en het Joodse volk an sich! Hij beweert dat ook zíj zich een oordeel Gods op de hals zullen halen daar ook zíj Israël en het Joodse volk met hun andere mening zouden “vervloeken”! De man heeft duidelijk niet het minste besef van wat de Bijbel wérkelijk over Israël en de christelijke ker leert! Maar laten we nu eens kijken naar de reactie van de Farizeeër, Nicodemus, die Jezus eerder in de nacht had bezocht om meer over Hem te weten te komen. (Johannes 3:1-21) Nicodemus vroeg zijn mede-Farizeeërs nl. het volgende:

“Veroordeelt soms onze wet de mens, als zij hem niet eerst hoort en kennis genomen heeft van wat hij doet?’ (Johannes 7:51)

Het gaat hier zoals wel duidelijk zal zijn over Jezus die door de rest der Farizeeën als een bedrieger werd beschouwd. Maar Nicodemus was nog de enige die iets zinnigs had te zeggen: Men moet niemand veroordelen voordat men kennis heeft genomen voordat hij eerst is gehoord en men kennis heeft genomen van wat hij doet. Pas daarna kan er een juist oordeel over de betreffende persoon worden geveld! Maar voor de overige Farizeeën stond het al vast als een spijker op laag water die zij eerder hadden gezocht en gevonden: Jezus wás niet afkomstig uit Galilea dus kon Hij de Messias dan ook niet zijn! En zo lijkt dit ook het geval met Van Genderen over de theologen die hij al onmiddelijk een dreigende aankondiging van een komend godsoordeel aflevert omdat zij met een ándere mening komen dan hij die heeft; voor hem staat het volkomen vast dat zij Israël en het Joodse volk met hun andere visie zouden vervloeken. Kennelijk heeft hij, net zoals de Farizeeeërs tnn tijde van Jezus, geen voldoende tijd ingestoken om eens na te gaan wie deze theologen dan wel zijn en wat zij doen. En mocht dit dan al wél het geval zijn geweest, dan hebben zijn vooroordelen over deze theologen hem verblind voor de mogelijjheid dat die weleens de waarheid gesproken zouden kunnen hebben! En zo zijn er wel vele christenzionisten meer die door hun eigen bevooroordeelde visie volkomen verblind zijn zoals uit de reacties op zijn artikel maar al te goed blijkt.

 

Wie is Vandaag de Dag een Judeeër? 

 

We leven nu in  2017. En het is nu circa 2017 jaren geleden dat Jezus in Israël Zijn bediening had. In deze uitgestrekte tijdspanne is er veel gebeurd. Nadat de Romeinse veldheer, Titus, de stad Jeruzalem en de tempel met de grong gelijk had gemaakt in het jaar 70 na Chr. werden de Joden door keizer Hadrianus uit het land verdreven. De meerderheid trok onder leiding van de Farizeeën naar het oude Babylon waar de meerderheid der Joden (nakomelingen van hen die ten tijde van de profeet Jeremia naar babel waren gedeporteerd door de koning van Babel, Nebukadrezar), tot dat toe ononderbroken had geleefd. Daar stichtten zij Talmudische scholen en universiteiten. Later werden zij uit Babel verdreven en trokken zij geleidelijk westwaarts. Uiteindelijk kwamen zij bij een enorm en uitgestrekt rijk terecht: het krijgslustige Khazarië. De koning van dat rijk, Bulan geheten, besloot nadat hij met de drie grootste religies bekend was geworden, het Judaïsme als staatsgodsdienst te accepteren. Aanvankelijk waren het slecht de koning en de Khazariaanse adel die tot het Joodse geloof overgingen. Zijn opvolger die zich een Joodse naam had aangemeten, Obadjah, maakte er meer vaart mee en na een bepaalde tijd was het Khazariaanse volk als geheel tot het Jodendom overgegaan. Het gevolg was nu dat zij bekend werden als Joden. In die tijd was Khazarië regelmatig in strijd gewikkeld met de omliggende volken en uiteindelijk leidde dit ertoe dat zij werden verslagen. Zij werden vervolgens uit hun woongebied verdreven, trokken verder naar het westen, kwamen wat nu het huidige Polen is binnen en zakten daarna verder naar West-Europa af. Na de landen zoals Duitsland, Spanje, Portugal etc. binnengekomen te zijn, werden de Khazariërs er bekend als “Joden.” Vermoedelijk had men er niet het misnte idee van dat zij weleens van niet-Joodse afkomst zouden kunnen zijn. De overgrote meerderheid van deze “Joden” zijn  nu bekend als de Ashkenazi-Joden. En hoewel zij beweerden dat Palestina (zoals Israël door Hadrianus later was hernoemd) hun oorspronkelijke woongebied zou zijn, had er geen van hen er ooit een voet aan land gezet! En aangezien de massale bekering van de Khazariërs leidde tot huwelijken tussen Joden en Khazariërs was het resultaat dat de oorspronkelijke Joden volkomen opgingen in de Khazariaanse bevolking.Het gevolg is dat er vandaag de dag geen oorspronkelijke (etnische) Judeeërs/Joden meer zijn ! Dus hebben we vandaag de dag “Joden” die eigenlijk helemaal geen Joden zijn. We hebben het hier slechts in grote lijnen weergegeven maar Dr. Eran Elhaik, een prominente (Joodse) DNA-geleerde heeft met andere wetenschappers een genetische studie naar de huidige Ashkenazische Joden uitgevoerd waarbij zij tot verrassende conclusies kwamen. De meerderheid der Ashkenazische Joden zijn hoofdzakelijk afkomstig uit het oude Turkije. Zij zijn de nakomelingen van Grieken, Iraniërs en anderen die nu meer dan tweeduizend jaar geleden datgene koloniseerden wat nu het huidige Noord-Turkije is. In de eerste eeuwen van na de christelijke jaartelling werden zij waarschijnlijk door Joden uit Perzië tot het Jodendom bekeerd. In die tijd was het Perzische rijk het onderkomen voor de grootste Joodse gemeenschappen der wereld. http://www.independent,co.uk/news/science/archeology/scientists-reveal-jewish-historys-forgotten-turkish-roots-a6992076.html  En hieruit vloeit tenslotte de vraag welke Jood zich nog werkelijk kan identificeren als een etnische Judeeër! Het antwoord zal misschien wel duidelijk zijn.

 

Maar Tóch …

 

Maar laten we eens veronderstellen dat het voor sommige van onze Joodse medemensen mogelijk zou zijn hun oorsprong helemaal terug te voeren tot een der oude Judeeërs van Israël. Zou het dan misschien kunnen zijn dat zij een van de verre Judese voorvaderen hadden die Jezus zo hevig hadden vervolgd? Sterker nog, zou het kunnen dat enkelen van hen hun oorsprong dan zouden weten terug te voeren tot de hogepriester, Kajafas, die oordeelde dat Jezus schuldig was aan godslastering daar Hij Zichzelf aan God gelijk achtte? Ja, stel je eens voor dat dít eens mogelijk zou zijn!

 

De Apostel Paulus & Etnische Afkomst. 

 

Ook al zouden er Joodse medemensen zijn die hun oorsprong zouden weten terug te voeren tot de oude Judeeërs, dan is hier de apostel, Paulus, die hier het volgende over te zeggen had m.b.t. Jezus:

“Want de liefde van Christus dringt ons, die tot dit oordeel gekomen zijn: Als Eén voor allen gestorven is, dan zijn zij allen gestorven. En Hij is voor allen gestorven, opdat zij die leven, niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem Die voor hen gestorven en opgewekt is. Zo kennen wij vanaf nu niemand naar het vlees; en al hebben wij Christus naar het vlees gekend, dan kennen wij Hem nu zo niet meer. Daarom, als iemand in Christus is, is hij een nieuwe schepping: het oude is voorbijgegaan, zie, alles is nieuw geworden. En dit alles is uit God, Die ons met Zichzelf verzoend heeft door Jezus Christus, en ons de bediening van de verzoening gegeven heeft.” (2 Korinthe 5:14-18)

Wat we hier lezen, is belangrijk, voornamelijk voor christenzionisten zoals Dirk van Genderen. Paulus zegt hier nu dat we Christus niet langer “naar het vlees” ofwel naar Diens etnische afkomst kennen. Zeker, Hij was een Judeeër, maar dit is niet van belang. Kennelijk waen  er sommigen onder de Korintische gelovigen die nog enig belang hechtten aan de etnische afkomst van Jezus als Judeeër/Jood. En dit zien we ook weer bij Van Genderen en de overige christenzionisten. Maar Paulus maakte hen duidelijk dat dit niet (meer) van belang was. Het enige wat telde zo vertelde de apostel hen, was dat men een nieuwe schepping was door de geestelijke wedergeboorte door het geloof in Jezus! En hier valt dan alle onderscheid weg: zowel gelovige Joden als niet-Joden zijn een niewe schepping in God en zijn verenigd in één Kerk, één Heer, één geloof, één doop, één Heilige Geest. (Efeze 4:1-6) Nu schijnt dit alles aan Van Genderen te zijn ontgaan daar hij (en vele andere christenzionistische leiders) de nadruk op Jezus leggen als Jood. Jezus Zelf was ook een Jood, zo verkondigen zij, uit het Joodse volk, en om die reden zullen zij met Jezus aan het hoofd duizend jaren regeren over het nog komende Duizendjarige Rijk. En aangezien hier flink de nadruk wordt gelegd op de etnische afkomst van Jezus, kan hier over het christenzionistische evangelie worden gesproken als een racistisch “evangelie”! Wat zij echter niet weten (en vermoedelijk wíllen zij dit ook niet weten!) is dat de Khazariërs na hun bekering tot het Jodendom de Talmud als hun dagelijkse handleiding overnamen en tevens de zes-puntige ster als hun identificatiesymbool hadden genomen. En over dit laatste, deze ster, zullen we het hieronder hebben.

 

De Zes-Puntige Davidster: Geen Bijbelse Duiding. 

 

Vrijwel iedereen is nu wel bekend met het identificatiesymbool van het huidige Israël. We vinden die vooral op de Israëlische vlag: de zes-puntige ster van David. In tegenstelling met wat vele christenzionisten zouden willen geloven, is deze ster niet van bijbelse oorsprong. De ster (ook wel bekend als Davidster, Magen David en Hexagram en samengesteld is uit twee elkaar overlappende driehoeken (triangels) is een occult symbool wat tijdens bepaalde ceremonieën werd gebruikt om er demonen mee op te roepen. Het werd tevens als een afweermiddel aangewend om er demonen mee weg te houden. Deze ster werd gebruikt door magiërs en alchemisten. Het gebruik van de zespuntige ster werd niet als een goed advies geacht maar was vereist. De magiërs waren er vast van overtuigd dat de ster de voetfdruk van een bepaalde machtige demon vertegenwoordigde. De zespuntige ster symboliseert ook de sexuele eenheid; de triangel die naar boven wijst, symboliseert het vrouwelijke (yoni); de triangel die naar beneden wijst, staat symbool voor het mannelijke (lingam). De begrippen “yoni” en “lingam” vertegenwoordigen zowel de vrouwelijke als mannelijke sexuele delen. De ster deed eveneens dienst als een communicatiemiddel tussen de levenden en de doden. Ook in de Hindoestaanse religie (Hindoeïsme) is de zespuntige ster een bekende verschijning. Daar vertegenwoordigt dit symbool de hindoestaanse dreëenheid in één: Brahma, Vishnu en Shiva.  Soms wordt de ster ook afgebeeld waarbij de randen van de naar beneden wijzende driehoek zwart zijn en die van de naar boven wijzende driehoek met witte randen. De zwarte randen symboliseren de machten der duisternis (het kwaad) en de witte randen vertegenwoordigen de machten van het goede. De betekenis hiervan is dat beide in een volmaakt evenwicht worden gehouden. En zo vertegenwoordigen deze beide machten de volmaakte harmonie. De zespuntige ster is ook gelijk aan het yan en ying-symbool, een cirkel waarvan de ene helft wit en de andere helft zwart is. Hier heeft het dezelfde betekenis: om de vomaakte harmonie te verkrijgen, moeten het goede (wit) en het kwade (zwart) in balans worden gehouden. (“Masonic and Occult Symbols Illustrated”, Dr. Cathy Burns (Sharing) vijfde druk: juli 2002, blz. 39-41) Uit dit alles blijkt dat de zespuntige ster niets van doen heeft met de God van de Bijbel en het dan ook geen bijbelse duiding heeft.

“Kabbalisten zijn over het algemeen dol op symbolen en tekens dat hebben jullie inmiddels begrepen. Een belangrijk teken is b.v een driehoek met de punt naar boven en een driehoek met de punt naar beneden. Als je ze in elkaar ekent, dan zie je een “Davidsster” waarover trouwens in de Bijbel in alle talen over wordt gezwegen! Die ster duidt op een ineenschuiving van de “goddelijke” en de “duivelse” driehoek tot een evenwicht; ze horen bij elkaar. zoals licht bij donker en goed bij kwaad. In de Kabbala wordt de duivel niet gezien als de belangrijkste tegenstander van God, de Schepper. Maar als Zijn onmisbare tegenhanger, namelijk Zijn “medewerker”! In de Vrijmetselarij kom je dit soort denken tegen. Dáár hebben ze het over de goede slang uit Genesis, de Nachasj, die Eva op de idee bracht om van de boom van kennis van goed en kwaad te eten. De Nachasj staat in hoog aanzien in de V.M!”  (Ruud tegen zijn kinderen, Matthijs, Mark, Luuk, John en Nympha in de roman, “De Samenzwering”, Marrie Muynck (Stichting Petra) geen datum van uitgave, blz. 30)

Zoals uit het citaat hierboven uit de roman waarvan het verhaal zelf weliswaar verzonnen is maar wel op historische gebeurtenissen berust, te lezen is, speelt de Davidsster tevens een belangrijke rol in de Vrijmetselarij. En hier wordt ook de Kabbala (Cabala, Qabala) genoemd. De Kabbala is een onderdeel van de Joodse Talmud, een lijvig werk bestaande uit vele delen. Het is van belang er op te wijzen dat vele lieve Joodse medemensen hier onbekend mee zijn; zij zijn er niet van op de hoogte dat de rabbijnen (rabbi’s) de Talmud het hoogste gezag in het Judaïsme toekennen, hoger dan het Oude Testament zelf. De Vrijmetselarij is volkomen op Joodse principes gevestigd en kan om die reden dan ook slechts als een Joodse orde worden beschouwd.

 

Israëlische Presidenten & Premiers: Lid van de Orde der Vrijmetselaars 1948 – 2008. 

 

Naast vele staatshoofden van andere landen zijn er ook Israëlische machthebber die lid zijn (of waren, daar die inmiddels al overleden zijn zoals o.a. Shimon Pers) van de orde der Vrijmetselaars:

David Ben-Gurion, Moshe Sharret, Levi Eshkol, Yigal Allon, Golda Meir, Yitzhak Rabin, Shimon Peres, Menachem Begin, Yitzhak Shamir, Benjamin Netanyahu (de huidige premier van Israël), Ehud Barak, Ariel Sharon, Ehud Olmert. 

Deze lijst van Israëlische bewindslieden als Vrijmetselaars gaat hier slechts van 1948 tot 2008 en behelst slechts dertien Israëlische bewindslieden. Maar ook de hoogste militaire leiders als andere prominente Israëli’s maken deel uit van deze orde. Zij geloven niet in de God van de Bijbel, maar in de “Opperbouwmeester van het Heelal.” Maar eigenlijk is dit Lucifer (wiens nam later “Satan” werd. We hbben hier er dit over gevonden:

“De apostel Paulus vertelt ons dat Satan zich vermomt als een engel des lichts: 

“En dit is geen wonder, want Satan transformeert zichzelf in een engel des lichts.” (2 Corinthiërs 11:14) 

“Hierbij beloof ik de Grote Geest Lucifer, de heerser der demonen, dat ik hem zoals het hem moge behagen, ieder jaar een levende ziel zal brengen, en in ruil belooft Lucifer mij de schatten der aarde te schenken en voor de duur van mijn natuurlijke leven al mijn verlangens zal vervullen. Als ik faal hem elk jaar het boven aangegeven offer te brengen, dan zal mijn eigen ziel aan hem verbeurd zijn.” (de hoge Vrijmetselaar, Manly Palmer Hall; een dergelijk pact met de duivel (die hier door Hall als de “Grote Geest” werd beschouwd) werd altijd met het bloed van de kandidaat ondertekend)

“Wat is meer absurd en oneerbiedig dan de naam Lucifer aan de duivel toe te schrijven, dat is, aan het gepersonificeerde kwaad? De intellectuele Lucifer is de geest van intelligentie en liefde; hij is de parakleet (een pleitbezorger); het is de Heilige Geest; waar de fysieke Lucifer de grote engel van het universele magnetisme is.” (de Vrijmetselaar, Eliphas Levi). 

“Eerste bezwering gericht tot koning Lucifer. Koning Lucifer, mmester en heerser der rebelse geesten. Ik vermaan u uw woonplaats, in welk deel van de wereld die ook gelegen is, te verlaten, hier te komen om met mij te communiceren.” (Arthur Edward Waite, Vrijmetselaar 33e graad)

“Wat we tot de massa’s moeten zeggen is, wij aanbidden een God, maar het is een God die men zonder bijgeloof vereert. Tot u, Soevereine en eerbiedwaardige Inspecteur-Generaal zeggen we opdat u dit kunt herhalen tegenover de broederen van de 32e, 31e en de 39e graad, dit: De Maçonische religie moet door ons, alle ingewijden der hoge graden, in de zuiverheid der Luciferiaanse doctrine worden gehandhaafd. Als Lucifer niet God zou zijn, zou Adonay wiens daden zijn wreedheid, verdorvenheid en haat voor de mensheid, barbarij en afkeer van de wetenschap bewijzen, zouden Adonay en zijn priesters hem dan belasteren? Ja, Lucifer is God en jammer genoeg is ook Adonay God. Want de eeuwige wet is dat er geen licht zonder schaduw, geen schoonheid zonder lelijkheid, geen wit zonder zwart,want het volmaakte kan slechts bestaan uit twee goden: Duisternis wat noodzakelijk is voor het beeld en de rem van de locomotief. Aldus is de doctrine van het Satanisme een ketterij; en de wáre, zuivere filosofische religie is het geloof in Lucifer, de gelijke van Adonay; maar Lucifer, God van het licht en het goede, strijdt voor de mensheid tegen Adonay, de God van duisternis en kwaad.” (de Vrijmetselaar, Albert Pike, tijdens zijn “Instructies tegenover de 23 raadsvergaderingen der wereld” (14 juli 1889), zoals opgetekend door Abel Clarin de La Rive, in “La Femme et l’Enfant dans la Franc-maçonnerie Universelle”, (1894), blz. 588) https://amazingdiscoveries.org/S-deception-Freemason_Lucifer_Albert_Pike/

 

“Eeuwige Wet “Licht zonder Schaduw” ook in het Yin Yang-Symbool & “Davidsster.” 

 

Nu hebben we hier de woorden over “de eeuwige wet” van “licht zonder schaduw” etc. neergeschreven in vette letters. En dit hebben we bewust gedaan. Want deze zgn. “eeuwige wet”, komen we ook weer tegen in het yin yang-symbool. Het is een cirkel waar een krommende lijn door een wit en zwart halfrond loopt. De witte halve cirkel vertegenwoordigt het licht, de zwarte halve cirkel vertegenwoordigt de duisternis. Het yin yang-symbool is dus eigenlijk niets anders dan dat wat Albert Pike over die “eeuwige wet” vertelde. Maar die zelfde “wet” wordt ook weer op synbolische wijze weergegeven in de zgn. “Ster van David” die we nu al voor lange tijd op de vlag van het huidige Israël zien. Het gaat hier dan om twee elkaar overlappende triangles, die dan samen deze ster vormen. De ene triangle (of driehoek) is “wit” en de andere die de eerste overlapt, is “zwart.” De zwarte triangle symboliseert in de Vrijmetselarij “Adonay” ofwel de God van de Bijbel, tegen Wie Lucifer als de zgn. God van het licht en het goede” ten gunste van de mensheid te strijden heeft! En zo zien we hoe er in Israël wérkelijk over de God van de Bijbel (Christus Jezus) wordt gedacht! Hieronder leggen we uit dat die occulte Davidsster weliswaar in de Bijbel voorkomt, maar eigenlijk een ongunstige, duistere betekenis heeft en uit het oude Egypte waaruit het oude volk Israël eeens door God via Mozes uitgeleid werd.

 

De Zespuntige Ster: Geen Bijbelse Duiding, maar … wél in de Bijbel. 

 

Zoals hiervoor al aangegeven, is er nergens in de Bijbel iets over de zespuntige ster in de Bijbel te vinden waardoor die een bijbelse duiding zou hebben. Maar … die blijkt echter wél in de Bijbel te vinden te zijn en wel in de volgende passages waar God het volk Israël haar afgoderij verwijt:

“Hebt u Mij slachtoffers en graanoffers gebracht in de woestijn, veertig jaar lang, huis van Israël? U hebt Sikkut, uw koning, rondgedragen, en Kewan, uw beelden, de sterren, uw goden, die u voor uzelf hebt gemaakt.” (Amos 5:25-26)

En in Handelingen 7 lezen we dat wanneer de apostel, Stefanus, voor het Sanhedrin verantwoording aflegt waarbij hij voor de Raad de geschiedenis van Israël onder het Oude Verbond verhaalt, o.a het volgende zei:

“Onze vaderen wilden hem” (Mozes) “niet gehoorzamen, maar verwierpen hem en keerden in hun hart terug naar Egypte; en zij zeiden tegen Aäron: Maak voor ons goden die vóór ons uit zullen gaan, want wat die Mozes betreft, die ons uit het land Egypte geleid heeft, wij weten niet wat er met hem gebeurd is. En zij maakten in die dagen een kalf en brachten een offer aan die afgod, en zij waren verblijd over de werken van hun handen. En God keerde Zich af en gaf hen over om  het hemelleger te dienen, zoals er geschreven is in het boek van de Profeten: Hebt u de veertig jaar in de woestijn ook slachtoffers en offers aan Mij gebracht, huis van Israël? Ja, u hebt de tent van Moloch meegedragen en de ster van uw god Remfan, de afbeeldingen die u gemaakt hebt om ze te aanbidden.” (Handelingen 7:39-43)

In deze laatste verzen citeerde Stefanus de verzen uit het boek Amos. Wat het maken van het kalf door de Israëlieten betreft, verwees Stefanus ongetwijfeld naar Exodus 32. Mozes bevond zich toen op de berg, Sinaï, waar hij instructies van God kreeg over de levenswandel die het volk overeenkomstig Zijn geboden moest gaan onderhouden. Na teruggekeerd te zijn, moest Mozes het volk Israël deze wetten voorhouden om die te doen. Maar Mozes bleef naar de mening van het volk te lang weg en het wist niet wat er in de tussentijd met hem gebeurd kon zijn:

“Toen het volk zag dat het lang duurde voor Mozes van de berg afdaalde, kwam het volk bijeen bij Aäron, en zij zeiden tegen hem: Sta op, maak voor ons goden die vóór ons uitgaan, want die Mozes, de man die ons uit het land Egypte heeft geleid – wij weten niet wat er met hem gebeurd is.” (Exodus 32:1)

In de laatste passsages (Hand. 42-43) zien we dat het de god, Remfan, was die door de oude Israëlieten in de vorm van de zespuntige ster werd vereerd. En Israël had deze god niet uit zichzelf bedacht; Remfan was een der heidense goden uit het oude Egypte! Al toen het zich nog in het slavenhuis van Egypte bevond, dreigde God Israël te willen vernietigen daar het de Egyptische afgoden (waaronder Remfan) niet prijs wilde geven.  Ook daarna toen het volk Israël zich na bevrijd te zijn uit Egypte, in de woestijn bevond dreigde God het met vernietiging. Maar omwille van Zijn heilige Naam deed God dit niet. (Ezechiël 20:5-22)

 

Konig Achab vs. de Profeet Micha.

 

En hier komen we dan bij een geschiedenis uit het Oude Testament. Het was in de tijd dat Israël al verdeeld was in het Noordelijke Koninkrijk (de Tien Stammen, Israël genaamd), en het Zuidelijke Koninkrijk (de stammen Juda en Benjamin). Deze verdeeldheid was ontstaan vanwege de zonde van de afval van God en van zijn afgoderij van Salomo, de derde koning over wat vóórdat hij van de geboden van God af zou wijken, nog één koninkrijk was. (zie 1 Koningen 11 en 12:1-24) Het gaat hier dan over Josafat, koning van Juda en Achab, koning van Israël. Josafat die door God inmiddels gezegend was met veel rijdom en voorspoed, verzwagerde zich vervolgens met Achab. En na een bepaalde tijd daarna moet hij gedacht hebben dat er nu een gunstige gelegenheid was om zijn zwager in Israël te gaan bezoeken. Nadat hij er gearriveerd was, liet Achab vele runderen slachten en offeren (wat mogelijk gepaard ging met een feestelijk banket). En dat deed hij niet voor niets; achter de feestelijkheden die Achab er hield, lag een zeker motief verborgen. Want mogelijk al vóór het bezoek van Josafat had hij zijn gedachten erop gezet om het gebied Ramoth in Gilead (wat door de Assyriërs eerder op Israël veroverd was) met militair geweld weer terug te winnen:

Achab, de koning van Israël, zei tegen koning Josafat van Juda: Wilt u met mij heengaan naar Ramoth in Gilead? En hij zei tegen hem: Ik ben als u, mijn volk is als uw volk: wij gaan met u mee in de strijd.” (2 Kronieken 18:3)

Ziet u, doordat hij zich daarvoor met Achab verzwagerd had en hij tijdens zijn latere bezoek aan Achab hem door middel van een overvloedig feestmaal wilde verleiden om met hem ten strijde te trekken tegen Ramoth, was het moeilijk voor Josafat om “Nee”, tegen zijn zwager te zeggen. Aldus zei hij tegen Achab dat er geen verschil was tussen hem en de Israëlische vorst was. Het probleem met Achab echter, was dat hoewel hij beleed in God te geloven, hij er een leven op nahield wat totaal niet met zijn belijdenis overeen kwam. Met Josafat was dit echter ánders gesteld; om die reden had hij zich nooit via huwelijk met Achab moeten verzwageren! Maar hij was hoewel oprecht tevens ook zeer naïef. Nochtans had hij de tegenwoordigheid van geest om eerst, vóórdat hij damen met Achab ten strijde zou trekken, God te raadplegen wat in die tijd gebeurde door Zijn vertegenwoordigers, de profeten. En zo liet Achab vierhonderd mannen, allen profeten, komen aan wie hij de vraag stelde of hij er juist aan deed, samen met Josafat ten strijde te trekken. En die hadden allen maar één ding te zeggen:

“Trek op, want God zal het in de hand van de koning geven.”

Nadat Josafat deze profeten enige tijd had aangehoord, moet hij gedacht hebben dat er toch ergens ieys niet in orde was; ál die mannen hadden zónder enige onderscheid slechts iets positiefs te zeggen. En dat vond hij vreemd. Om die reden vroeg de koning van Juda of er mogelijkerwijze nog niet een profeet zou kunnen zijn. (verzen 4-6) Maar,

“Toen zei de koning van Israël tegen Josafat: Er is nog één man om door hem de HEERE te raadplegen, maar ik haat hem, want hij profeteert niets goeds over mij, maar altijd onheil.” Dat is Micha, de zoon van Jimla. Josafat zei: zo moet de koning niet spreken!” (vers 7)

Daarop geeft Achab een bode Micha te gaan halen. Die had Achab maar gevangen laten zetten vanwege diens “onheilsprofetieën.” En terwijl de vierhonderd profeten de ene na de andere positieve profetie over Achab uitspraken, was de bode intussen bij de cel van Micha aangekomen. En de boodschapper had een goede raad voor de profeet, een raad die áls Micha die op zou volgen, een goede plaats onder de vierhonderd mannen zou bezorgen:

“Zie, de woorden van de profeten zijn eenstemmig in het voordeel van de koning. Laat toch uw woord als dat van een van hen zijn, en spreek het goede.” (vers 12)

Maar Micha vertelt de bode van wat hij werkelijk zal gaan doen:

“Maar Micha zei: Zo waar de HEERE leeft, wat mijn God zegt, dat zal ik spreken.” 

Waarmee hij aangaf dat al die vierhonderd profeten eigenlijk bedriegers en mensenbehagers waren die er slechts op uit waren, in de gunst van Achab te blijven. Nadat Micha eenmaal voor Achab is gebracht en deze hem dezelfde vraag stelt als die hij eerder aan de vierhonderd profeten stelde, antwoordt hij schertsend en spottend dat de koning maar op moet trekken; God zal het te veroveren gebied zeker in zijn bezit geven! Achab merkt de spot en vraagt Micha hoelang hij hem nog moet bezweren, alleen de waarheid in de Naam van God te vertellen. Dan vertelt Mcha hem dat hij (in een visioen) had gezien dat het volk van Israël verstrooid en zónder leiding was. God had vervolgens tegen Micha gezegd dat dit volk eigenlijk geen heer hadden waarmee hij aangaf dat het geen goede koning als leider had en dat ieder van het volk maar naar huis terug moest keren. Kortom: Achab had het volk verwaarloosd. En bij het horen van de woorden van Micha wordt hij boos:

“Toen zei de koning van Israël tegen Josafat: Heb ik niet tegen u gezegd: Hij zal over mij niets goeds profeteren, alleen maar onheil?’ Verzen 12-17)

Vervolgens vertelt Micha dat hij van godswege een visioen heeft gezien waarin God een valse geest naar de vierhonderd mannen had gezonden die Achab ertoe moest verleiden tot de opmars naar en strijd in Ramoth over te gaan. En,

“Welnu, zie, de HEERE heeft een leugengeest in de mond van deze profeten van u gegeven, en de HEERE heeft onheil over u uitgesproken.” 

Dan nadat Micha van een der profeten een slag in het gezicht te hebben gekregen, geeft Achab oodracht Micha terug nar Amon, het hoofd van de stad waar Micha gevangen zit te brengen totdat hij na de strijd in vrede terug zal keren. Maar,

“Maar Micha zei: Als u echt in vrede terugkeert, heeft de HEERE door mij niet gesproken!” (verzen 18-27)

Aldus trekken zowel Achab als Josafat ieder met hun eigen leger gezamelijk op naar het aanstaande slagveld. Onderweg echter, moet Achab hebben gedacht dat de profetie van Micha desondanks alles misschien toch bewaarheid zou kunnen worden. Aldus besloot hij het volgende: hijzelf zou zijn koninklijk gewaad afleggen, zich als een van zijn vele soldaten kleden en Joafat moest dan zijn gewaad aanhouden. Dit was eigenlijk een sluwe en gemene list van hem; waarschijnlijk vermoedde dat als de strijd eenmaal begonnen zou zijn, het leger van de tegenpartij het het eerst op hém voorzien zou hebben. Om dit nu te voorkomen had Achab het goed gedacht dat zijn zwager zijn koninklijke kledij maar aan zou houden. Mocht de vijand dan toch eerst achter de aanvoeder, de koning, aangaan, dan zou die hém in ieder geval niet vinden vermomd als hij was als een van zijn eigen soldaten! De aandacht zou natuurlijk dan het eerst uitgaan naar degene die als enige in koninklijke kledij gekleed was. En de enige was natuurlijk Josafat zélf! De zwager van de koning van Juda bleek dus nu niet bepaald een betrouwbaar en zorgzaam familielid te zijn! Die wilde zijn zwager uit Juda opofferen opdat hijzelf het er levend af zou brengen. Maar dat zou achteraf niet gebeuren zoals we hieronder zullen zien. En Achab had er niet naast gezeten; de koning van Syrië had de bevelvoerders van zijn strijdwagens opdracht gegeven om slechts tegen de koning van Israël alléén te strijden. Als die eenmaal gedood of gevangengenomen zou zijn, zou dit een enorme demoraliserende impact op zijn leger hebben; de overwinning van het Syrische leger op dat van Israël zou dan nog een kwestie van korte tijd zijn. Nadat de strijd eenmaal begonnen was, deden de bevelvoerders van de strijdwagens van Syrië dát wat hen opgedragen was; zij naderen de strijdwagen van Josafat, onsingelen die om met hem het gevecht an te gaan. Josafat roept het echter uit tot God. Wanneer de bevelhebbers zien dat hij niet de koning van Israël is, wenden zij zich van hem af. Een boogschutter echter schoot (waarschijnlijk tijdens een korte rustpauze aan zijn kant van het front) willekeurig een pijl af die Achab trof, waardoor hij dodelijk gewond raakte. Het Israëlitische leger lleed de nederlaag en tegen de avond overleed Achab aan zijn verwondingen. (verzen 28-434)

 

Koning Josafat vs. Jehu (en God). 

 

Hoe het leger van Josafat het ervan afgebracht had, is niet uit deze geschiedenis op te maken. De koning zelf keerde in tegenstelling met Achab die zoals al gezegd om het leven gekomen was tijdens de strijd, in vrede naar Jeruzalem terug. Maar dan komt de ziener, Jehu, hem tegemoet met een boodschap van de HEER:

“Moest u de goddeloze helpen en zij die de HEERE haten, liefhebben? Hierom rust op u grote toorn van voor het aangezicht van de HEERE.” (2 Kronieken 19:1-2)

Ziet u, net zoals koning Josafat in zijn tijd de grote fout maakte, zich en zijn leger gelijk te stellen met een goddeloze Israëlsiche koning en diens leger, zijn het vandaag de dag de christenzionisten, die (in bepaalde mate althans), hetzélde doen. Het enige verschil is dat de laatsten geen koningen in de letterlijke zin zijn en ook geen militair leger hebben. Zij stellen zich als de wáre uitverkorenen op naast een goddeloos Israël waarvan zoals al gezegd, de premiers van Israël Vrijmetselaars waren (maar nu intussen overleden zijn) en die het nú zijn (zoals de huidige premier, Benjamin Netanyahu). Als zij na het lezen van het hier bovenstaande nog steeds mochten denken dat zij door dit Israël te zegenen, de God van de Bijbel een dienst denken kunnen te bewijzen, dan zijn zij vérder van de realiteit verwijderd dan ooit tevoren; nee, net zoals God toornig was op Josafat vanwege zijn steun aan de goddeloze Achab en Israël in zijn dagen, zo is God nu ook zeer toornig op dát deel van de huidige kerken (charismatisch, gereformeerd, hervormd, protestant) waar men meent er een een “onverbrekelijke band met Israël” zou hebben! Maar hier waar Kerk en Israël elkaar op deze wijze overlappen, zien we dit natuurlijk ook weer gesymboliseerd weer terug in die “Davidsster.” Volgens de vrijmetselaarssymboliek strijd Lucifer als de “God van het Licht” tegen Adonay als de “God van Duisternis.” Maar die “Lucifer” is niemand minder dan Satan, de tegenstander van God en daarmee ook Zijn Kerk. Want Jezus en de Kerk, Zijn symbolische “Lichaam”, kunnen in der eeuwigheid niet van elkaar worden gescheiden of los van elkaar worden gezien:

“En Hij” (God) “heeft alle dingen aan Zijn voeten onderworpen en heeft Hem” Jezus, God de Zoon). “als Hoofd over alle dingen gegeven aan de gemeente, die Zijn lichaam is en de vervulling van Hem die alles in allen vervult.” (Efeziërs 1:22:23)

En in Efeziërs 4:4-6 spreekt Paulus over de gemeente, de Heilige Geest en God als,

“één lichaam en één Geest, zoals u ook geroepen bent tot één hoop van uw roeping, één Heere, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, Die boven allen en door allen en in u allen is.” 

En dit wil weer zeggen, dat er slechts één Kerk, één Heilige Geest, één Heere (ofwel Christus Jezus), één God de Vader en één geloof is. Wat de gemeente betreft, is er dan ook máár één uiverkoren volk. Maar als we de christenzionistische leer mogen geloven, heeft God twee uitverkoren volken: De Kerk én Israël. Maar zoals we gezien hebben, leert de Bijbel dit niet. Maar … wat is er nu wérkelijk gebeurd dat men er binnen het christenzionisme naast de Kerk ook het volk Israël als “mede-uitverkorene” is gaan beschouwen? De waarheid is nl. dat met de komst van John Nelson Darby en dePlymouth Brethren en vervolgens Cyrus Ingersol Scofield met zijn “Scofield Reference Bible”, in de 18e eeuw, het christenzionisme vanaf die tijd geleidelijk aan eerst de kerken in Europa en daarna die in Amerika begon binnen te dringen. Vóór die tijd was het de overheersende visie dat alleen de Kerk het uitverkoren volk van God was. Maar met de opkomst van de genoemde mannen begon dit geleidelijk aan te veranderen. Het christenzioinsme drong er de kerken geleidelijk aan binnen en zo is de onbijbelse theorie over het volk Israël als “mede-uitverkoren volk van God” naast de Kerk ontstaan. Maar wat er nu wérkelijk gebeurde, was dit: Geleidelijk aan begon het Joodse volk (want in de 18e eeuw wás er nog geen sprake van Israël als staat), als de symbolische “zwarte triangle” de “witte triangle” te overlappen! “Geen licht zonder schaduw, geen schoonheid zonder lelijkheid, geen wit zonder zwart” zo vertelde Albert Pike destijds de maçonische raadsvergaderingen. Hier zien we dat zowel licht als duisternis elkaar overlappen en tot één geworden zijn. En toch sluiten Lucifer en Adonay elkaar als elkaars tegenstanders ook weer uit. En kijk een naar Lucifer als “schoonheid” en Adonay als “lelijkheid” zoals dit door Pike verwoord werd. Dit zien we heden te dage ook weer terug in de christenzionistissche religie: de Kerk wordt er voortdurend in zwartgemaakt (“lelijk gemaakt”) ten gunste van Israël als “schoonheid.” En dit vanwege het “christelijke” (of “kerkelijke”) anti-Semitisme waar die zich in het verleden aan schuldig gemaakt zou hebben! Israël echter, wordt hierbij onophoudelijk als “onschuldig slachtoffer” weergegeven. En het is trouwens onbewust en te goeder trouw dat de meerderheid van de christenzionisten dit doen, onwetend als zij zijn over de wáre achtergrond van wat Pike er over “schoonheid” en “lelijkheid” ooit eens onthulde. Het zijn echter de hoge leiders van het christenzionsime die eigenlijk hoge Vrijmetselaars zijn, die er vanuit de kerken de strijd van Lucifer tegen Adonay voeren. Een van het is Tim Lahay, in de jaren ’90 bekend geworden vanwege zijn boekenreeks, “Left Behind.” Over hem en over de occulte symbolen en de Tempelridders kunt u hier terecht: https://watch-unto-prayer.org/lahaye.html

 

De Talmud: Dagelijkse Leidraad der Rabbijnen, de Geestelijke Telgen der Farizeeërs. 

 

Zou men aan een christenzionist vragen wat heden te dage het belangrijkste en heiligste boek binnen het Judaïsme is dan zal men steevast het antwoord krijgen, “wel, dat is het Oude Testament.” De christenzionisten zijn nl. van mening dat het Oude Testament de dagelijkse handleiding voor de rabbijnen is. Daarnaast zijn de rabbijnen de huidige moderne telgen van de oude Farizeeërs. Dat zij dit niet weten kan deels worden verklaard door het feit dat dit zowat voor eenieder verborgen was gehouden. En aan de andere kant kan de onbekendheid van de christenzionisten met deze feiten deels worden verklaard dat zij door hun sektarische geloofsovertuiging waarin Israël en het Joodse volk de hoofdrol spelen, ervan worden weerhouden om eens de moeite te nemen de ware feiten over wat de Talmud wérkelijk over Jezus leert, op het internet eens na te gaan. Zij menen nl. dat die websites waar de waarheid over de rabbijnen en de Talmud wordt verkondigd, slechts “uitingen van anti-Semitisme” zouden zijn. Om die reden alleen al worden die door hen gemeden. Maar daar worden juist de rabbijnen en hun Talmud ontmaskerd. Hier is bijvoorbeeld een videoclip waar Steven Anderson van de Faithful Word Baptist Curch vertelt wat de Talmud over Jezus leert; Hij zou nu in de hel zijn waar Hij gekookt wordt in hete uitwerpselen, een straf die Hij verdiend zou hebben omdat Hij tijdens Zijn bediening in Israël de Farizeeën (de verre geestelijke voorvaderen der huidige rabbijnen) zo tegenstond. https://www.youtube.com/watch?v=AGH1b-h_6-Y (“Creepy Passage in the Talmud about Jesus”)

 

Farizeeën Geloofden niet in het Oude Testament. 

 

Al tijdens Zijn bediening liet Jezus blijken dat de Farizeeën niet in het Oud Testament (de eerste vijf boeken van Mozes: Genesis tot Deuteronomium) geloofden:

“Denk niet dat Ik u zal aanklagen bij de Vader; die u aanklaagt, is Mozes, op wie u uw hoop gevestigd hebt. Want als u Mozes geloofde, zou u Mij geloven; want hij heeft over Mij geschreven. Maar als u zijn Geschriften niet gelooft, hoe zult u Mijn woorden geloven?” (Johannes 5:45-47)

En met de huidige rabbijnen is dit niet anders gesteld. En dit betekent dan ook dat zij, net als hun verre geestelijke voorvaderen toen, deze boeken dan ook niet als goddelijk geïnspireerd beschouwen. En hieruit vloeit weer uit dat zij dan ook niet in de ware God van de Bijbel geloven. Zouden zij nu wérkelijk het Oude Testament als door God geïnspireerd aanvaard en ook als zodanig hebben gelezen en bestudeerd, dan kán het niet anders of zij zouden Jezus als de wáre Messias hebben herkend, erkend en ook als zodanig hebben gevolgd! Nu geloofden de Farizeeën ook weer wél in het Oude Testament maar die lazen die door de lens van de Talmud. Dus níet zoals dat gelezen zou móeten worden door er de juiste betekenis van de verzen zoals die er staan, van te geven. De uitleg die er volgens de Talmud aan gegeven werd, was gebaseerd op de vele commentaren van niet-christelijke rabbijnen. Om die reden bleef het ware karakter van Jezus de Messias voor hen dan ook verborgen; hadden zij het Oude Testament betreffende de profetieën aangaande Jezus nu gewoon gelezen zoals die er staan, dan zou het niet anders kunnen dat zij Jezus als hun Messias herkend (en erkend) zouden moeten hebben! En het is nu dit, wat Jezus hen dan ook duidelijk maakte! De Talmud zoals die later vérder zou worden uitgebreid, was eigenlijk gebaseerd op de “Overlevering der Ouden” zoals we hieronder nu zullen gaan zien.

 

Jezus & de Overlevering der Ouden. 

 

Als de Farizeeën dan niet in de Pentateuch (de eerste vijf boeken van Mozes) geloofden, wat geloofden zij dan wél? Daar komen we achter wanneer Jezus weer eens wordt geconfronteerd met de Farizeeën inzake de overlevering der Ouden:

“Toen kwamen enige schriftgeleerden en Farizeeën uit Jeruzalem bij Jezus en zeiden: Waarom overtreden Uw discipelen de overlevering van de ouden? Want zij wassen hun handen niet als zij brood gaan eten. Maar Hij antwoordde en zei tegen hen: Waarom overtreedt ook u het gebod van God door uw overlevering? God heeft immers geboden: Eer uw vader en moeder, en: Wie vader of moeder vervloekt, moet zeker sterven. Maar u zegt: Wie maar tegen vader of moeder zegt: Het is bestemd als offergave, wat u van mij had kunnen krijgen, en zijn vader en moeder niet zal eren, met hem is het in orde. En zo hebt u door uw overlevering het gebod van God krachteloos gemaakt. Huichelaars! Terecht heeft Jesaja over u geprofeteerd, toen hij zei: Dit volk nadert tot Mij met hun mond en eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich ver bij Mij vandaan; maar tevergeefs eren zij Mij, omdat zij leringen onderwijzen die geboden van mensen zijn.” (Mattheüs 15:1-9)

De strekking zal misschien duidelijk zijn; als iemand geld had wat hij zou kunnen besteden aan zijn ouders (die op dat moment in hulpbehoeftige omstandigheden zouden kunnen verkeren) en hij tegen hen zou zeggen dat hij het in plaats daarvan als een offergave apart had gezet, dan vonden de schriftgeleerden en Farizeeën dit meer dan geweldig! Ten tweede blijkt uit hetgeen Jezus hen zei, dat dit al bij de religieuze leiders in Oud-Testamentische tijden de gewoonte bleek te zijn aangezien Hij naar de Oud-Testamentische profeet, Jesaja, verwijst. In Mattheüs 23 houdt Jezus een strenge strafrede tegen de Farizeeën:

“Maar wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, want u sluit het Koninkrijk der hemelen voor de mensen; u gaat er immers zelf niet binnen, en hen die er naar binnen willen gaan, laat u er niet binnengaan.” (vers 13)

Dat zal uiteraard niet vreemd zijn daar zij de ware bijbelse leer hadden vervangen voor hun menselijke tradities.

“Wee u, schriftgeleerden en Farizeeërs, huichelaars, want u eet de huizen van de weduwen op, en voor de schijn bidt u lang; daarom zult u een des te zwaarder oordeel ontvangen.” (vers 14)

Met het “opeten” van de huizen van vrouwen die hun man hadden verloren (weduwen dus), bedoelde Jezus waarschijnlijk te zeggen dat de schriftgeleerden en Farizeeën zich die huizen wederrechtelijk hadden toe-geëigend; wat er vervolgens met die weduwen zou gebeuren, zal hen volkomen onverschillig hebben gelaten!

“Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, want u reist zee en land af om één proseliet” (Jodengenoot, bekeerling) “te maken, en als hij het geworden is, maakt u hem een kind van de hel, dubbel zo erg als u.” (vers 15)

Hierboven hebben we al het een en ander over de bekering der Khazariërs tot het Judaïsme verteld. Die werden toen “dubbel zo erg” als de Joden die hen hadden bekeerd, al waren! En als we heden te dage zien hoe de Israëlische leiders (zowel de religieuze, militaire als de politieke) de Palestijnen behandelen, zijn zij vandaag tienmaal zo erg als hun verre voorvaderen!

“Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, want u bent als de witgepleisterde graven, die van buiten wel mooi lijken, maar van binnen zijn ze vol doodsbeenderen en allerlei onreinheid. Zo lijkt u ook wel van buiten rechtvaardig voor de mensen, maar van binnen bent u vol huichelarij en wetteloosheid.” (verzen 27-28)

Zij kwamen voor de mensen over als eerbare en onkreukbare mannen; van binnen echter waren deze schriftgeleerden en Farizeeën vervuld met huichelarij en goddeloosheid. Dit is ook heden te dage het geval en vnl. de christenzionisten beschouwen hen als zó heilig dat zij volgens hen wel het volk Gods móeten zijn!

“Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, want u bouwt de graven voor de profeten en versiert de grafmonumenten van de rechtvaardigen, en u zegt: Als wij in de tijd van onze vaderen hadden geleefd, hadden wij niet met hen meegewerkt om het bloed van de profeten te vergieten. Aldus getuigt u tegen uzelf, dat u kinderen bent van hen die de profeten gedood hebben. Maakt ook u dan de maat van uw vaderen vol! Slangen, adderengebroed, hoe zou u aan de veroordeling tot de hel ontkomen?” (verzen 29-33)

Jezus verweet de schriftgeleerden en Farizeeën dat daar zij de graven en grafmonumenten der Oud-Testamentische profeten bouwden en sierden, zij zo lieten blijken de zonen van de moordenaars dezer profeten te zijn. Dat zij beweerden niet te hebben meegewerkt met hun vaderen aan de dood van de profeten als zij in hun tijd geleefd zouden hebben, bleek slechts schijn; in Johannes 8:37 zei Jezus dit tegen de Joden:

“Ik weet dat u Abrahams nageslacht bent, maar u probeert Mij te doden, omdat Mijn woord in u geen plaats krijgt.” 

En zoals hun vaderen met de profeten hadden gedaan, zo wilden hun nakomelingen dit ook met Jezus doen. En zij slaagden er uiteindelijk inderdaad in, Hem aan het kruis te krijgen door de Romeinse overheid onder Pontius Pilatus hiervoor te manipuleren.  Verder onkende Jezus niet dat zij de natuurlijke telgen van de aartsvader, Abraham, waren. En dit is nu de grote fout die de christenzionisten maken; zij menen dat als iemad een verre nakomeling van Abraham is, hij metterdaad ook een “uitverlorene Gods” is. Diezelfde fout maakten destijds vele Sadduceeën (een Joodse sekte die in tegenstelling met de Farizeeën het hiernamaals en geestelijke manifestaties zoals engelen ontkenden) en Farizeeën die naar Johannes de Doper kwamen om ook door hem gedoopt te worden:

“Toen hij vele van de Farizeeën en Sadduceeën op zijn doop zag afkomen, zei hij tegen hen: Adderengebroed! Wie heeft u laten weten dat u moet vluchten voor de komende toorn? Breng dan vruchten voort in overeenstemming met de bekering, en denk niet dat u bij uzelf kunt zeggen: Wij hebben Abraham als vader; want ik zeg u dat God zelfs uit deze stenen voor Abraham kinderen kan verwekken. De bijl ligt zelfs al aan de wortel van de bomen; elke boom dan die geen goede vrucht voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen.” (Mattheüs 3:7-10)

Het probleem met de Farizeeën en Sadduceeën was dat zij het niet nodig achtten zich van hun verkeerde levenswandel te bekeren. Zij waren immers het nageslacht van Abraham en dit was volgens hen voldoende om als “Gods volk” te worden beschouwd. En daar ook zíj zich wilden laten dopen, duidt er dan ook op dat zij zo wel berouw met hun lippen beleden maar dat zij dit niet met hun hart deden. Om die reden is de berisping die Johannes hen dan geeft, ook zo streng. Welnu, de overtuiging van de oude Saducceën en Farizeeën (nl. dat het voor hen genoeg was om als “Gods volk” te worden beschouwd daar zij de natuurlijke afstammelingen van Abraham waren), is ergens in het verleden ook het Christendom binnengeslopen. En vandaag de dag zijn er talloze christenzionisten die mensen die van zichzelf beweren nakomelingen van Abraham te zijn, hen dan ook beschouwen als leden van “Gods volk.” En er zijn er onder hen die in tegenstelling met Johannes menen dat men het Evangelie maar niet aan de Joden moet verkondigen; het Joodse volk, zo redeneert men dan, heeft al een éiegn verbond met God! En dat niet alleen; zij gaan zelfs zover dat zij het ronduit wrede Israëlische beleid tegenover de Palestijnen verdedigen en alzo rechtvaardigen. Dit is ook de houding die de vroegere Farizeeën hadden. Het gevolg is nu dat vele christenzionisten tot op zekere hoogte eenzelfde karakter hebben gekregen als de Farizeeën eens hadden! Het doldwaze artikel van Dirk van Genderen met zijn “met het minachten van Israël en de Joden vervloekt men hen al”-retoriek, is slechts één van de vele voorbeelden!

 

De Zeloten vs. de “Judassen.” 

 

In het verleden zijn er vele verschillende bewegingen en groeperingen geweest, die er waren gesticht met een bepaald doel in gedachten. De stichter (of stichters) van dergelijke groepen waren tot hun besluit om een dergelijke groep te stichten gekomen omdat die (daar hun land in die tijd onder een vreemde bezettingsmacht lag bijvoorbeeld), dit van die vreemde mogendheid wilden bevrijden. Het waren dan ook een soort van verzetstrijders, die hun land vrij wilden zien te krijgen van die vreemde overheersers. En zowel de leider(s) als de aanhangers van die groepen waren dit doel dan ook volkomen toegewijd. Nu was het echter ook zo,, dat er zich onder die vele aanhangers ook een of meer mensen bevonden, die terwijl zij de bevrijding van hun land openlijk huldigden, zij er in het verborgene tegelijkertijd een andere agenda op nahielden; terwij zij openlijk deelnamen aan bevrijdingsoperaties om hun land van vreemde overheersing vrij te krijgen, waren het zij die de vreemde bezetter achter de schermen juist hun diensten verleenden. Dergelijke lieden kennen we vandaag als “Judassen, verraders dus. En die moeten er in de tijd van Jezus ook zijn geweest. Een van die groepen die er in de tijd van Jezus actief waren, waren de Zeloten. Van deze benaming zijn de termen, “ijveraars”, dwepers” en “fanatici” afgeleid. Het waren mensen die er een meer dan vurig verlangen voor koesterden om (in dit geval) hun land vrij te zien van de vreemde mgendheid waaronder het in die tijd lag. Over de Zeloten hebben we er het volgende over gevonden:

“Onder de Zeloten en hun sympathisanten leefde een hooggespannen messiasverwachting met een duidelijk militaire inslag. Zij namen grote risico’s bij het aangaan van geweldige confrontaties met de Romeinen in de vaste overtuiging, dat God elk moment zijn messias openbaar zou kunnen maken. Vele van hun leiders beschouwden zichzelf of werden door hun aanhangers beschouwd als messias-figuren. Ook schuwden sommige zelotische groeperingen niet om hun joodse tegenstanders of vermeende tegenstanders uit de weg te ruimen. Bekend is bijvoorbeeld de groep der Sikariërs, wat zoiets als ‘messenmannen’ betekent, die niet terugschrokken voor politieke moorden in eigen gelederen. Ook na de verwoestng van Jeruzalem en de tempel in 70 C. J. bleef de geest van het Zelotisme nog lange tijd het Jodendom beïnvloeden. Nog in 117 C. J. en in 132 C. J. braken er in de diaspora resp. het lenad Israël grote joodse opstanden uit tegen de Romeinen.” http://www.petervantriet/nl/article.php?articleID=137

Nu blijkt het er in dat artikel wel niet uit, maar het is niet onmogelijk dat sommige van die groepen der Zeloten díe Joodse tegenstanders om het leven hadden gebracht nadat van de laatsten vastgesteld was dat dit eigenlijk “Judassen” waren.

 

Christus Jezus, Judas van Iskariot & de Zeloten. 

 

Zoals gezegd, waren er in het verleden in de tijd van Jezus vele bewegingen in Israël geweest die het land van het juk van de Romeinse bezetter wilden bevrijden. Soms kwam het echter ook voor zoals we al aangegeven hadden dat sommige van die groepen hun eigen “Judas” of “Judassen” hadden. Nu weten we uit het verslag van de Evangelieën dat er zich ook in de kleine groep van de discipelen van Jezus een “Judas” bevond: Judas Iskariot, een van Zijn volgelingen die Hem later aan de Farizeeën zou verraden. Nu, wat we hier nu gaan beschrijven, vindt u beslist niet terug in de Bijbel. Maar we zullen hier echter een theorie geven over hóe Judas op een bepaald moment bij de overige discipelen van Jezus terecht gekomen was. En die theorie gaat als volgt: het moet zonder twijfel zijn geweest dat het niet slechts het Joodse volk is geweest waaronder Jezus grote bekendheid verworven had vanwege Zijn vele wonderen en tekenen die Hij onder hen deed; ook de Zeloten (of een vergelijkbare andere groep) was dit niet ongemerkt voorbijgegaan. Het mogelijk dat de leider (of leiders) van een dergelijke groep gedacht zouden kunnen hebben dat Jezus vanwege al die wonderen die Hij er tot dan toe had verricht, hen en hun beweging in hun strijd tegen de Romeinse bezetter van nut zou kunnen zijn. Om er achter te komen of Jezus de groep hierbij goede diensten zou kunnen verlenen, zouden die leiders na overleg tot de conclusie gekomen kunnen zijn, om een van hun eigen leden er op uit te sturen opdat die hen inlichtingen zou kunnen verschaffen, Wíe of wat Jezus nu wérkelijk was. Na hier nog eens wat nader overleg over te hebben gehouden, hadden zij hun keuze gemaakt; Judas, de zoon van Iskariot, een zeer vertrouwde medestrijder van de goede zaak zou de geschikte man zijn die meer over Jezus te weten moest komen. Uit de gegevens die hij hen er later over zou geven, zou duidelijk worden of Hij al dan niet een mogelijke medestrijder aan de goede zaak zou kunnen worden. Die wonderen die Hij er deed, moeten dan ook op hén een grote indruk gemaakt hebben! Zou Jezus dan ook nog andere wonderen kunnen  doen waarmee Hij in hun strijd tegen de Romeinen eventueel een nuttige aanwinst voor de groep zou kunnen zijn? En met de opdracht om dit uit te zoeken, zonden de leiders Judas erop af.

 

De Roeping der Discipelen door Jezus. Judas, de Zoon van Simon. 

 

In het Evangelie naar Lukas lezen we dat Jezus er Zich onder zijn discipelen twaalf uitkoos om Hem van dienst te zijn:

“Het gebeurde in die dagen dat Hij naar buiten ging, naar de berg, om te bidden; en Hij bleef heel de nacht in gebed tot God. En toen het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen bij Zich en koos er twaalf van hen uit, die Hij ook apostelen noemde: Simon, die Hij ook Petrus noemde, en zijn broer Andreas, Jakobus en Johannes, Filippus en Bartholomeüs; Mattheüs en Thomas, Jakobus de zoon van Alfeüs, en Simon die Zelotes genoemd werd, Judas, de broer van Jakobus, en Judas Iskariot, die ook de verraders geworden is.” (Lukas 6:12-16)

Laten we ons hier nu het volgende beeld bij voorstellen: onder de vele discipelen die Jezus al volgden, was daar ook Judas Iskariot. Van al die discipelen was hij echter de enige die Hem volgden die dit middels een opdracht van zijn leidinggevenden van de verzetsgroep waartoe hij behoorde, deed. Toen hij eenmaal hoorde dat onder de overige elf uitverkorenen die Jezus zouden gaan dienen, ook híj uitgekozen werd, moet Judas Iskariot blij zijn geweest; van nu aan maakte hij deel uit van de binnenste kring van Jezus! En dit maakte dat hij Jezus van dichtbij zou kunnen beschouwen. Uit het bijbelse verslag wordt niet duidelijk of Jezus ervan op de hoogte was dat Judas Iskariot een lid van een van die militant-gezinde groepen was; vermoedelijk wist Hij hiervan af. Voor Hem was het al vanaf het begin aan duidelijk dat Judas Iskariot Hem eens zou verraden; nadat vele van Jezus’ discipelen Hem de rug toegekeerd hadden vanwege Zijn rede waarin Hij over Zichzelf als het geestelijke brood en bloed gesproken had (Johannes 6:26-66), lezen we in de verzen 67-71 het volgende

“Jezus dan zei tegen de twaalf: Wilt u ook niet weggaan? Simon Petrus dan antwoordde Hem: Heere, naar wie zullen wij heengaan? U hebt woorden van eeuwig leven. En wij hebben geloofd en erkend dat U de Christus bent, de Zoon van de levende God. Jezus antwoordde hun: Heb Ik u, de twaalf, niet uitgekozen? En een van u is een duivel. En Hij doelde op Judas Iskariot, de zoon van Simon, want die zou Hem verraden, een van de twaalf.” 

Nu is het niet duidelijk of Judas de zoon van de genoemde Simon, die Zelotes genoemd werd”, ofwel Simon Iskariot, zou kunnen zijn geweest. Over Judas lezen we het volgende:

“Persoon die Jezus verraadde; zijn vader was Simon.” http://www.bijbelaantekeningen.nl/files/subject?2362

Volgens deze bron betekent Kerioth of K’riot een stad (of “steden”) Dus mocht Judas dan tóch de zoon van Simon Zelotes zijn geweest dan zouden zowel Simon als Judas uit die stad (of uit een van de steden in Israël afkomstig zijn geweest. http://www.bijbelaantekeningen.nl/files/subject?3248 We lezen er ook het volgende:

“Uit de toevoeging Islarioth “uit Kerioth” kwam hij waarschijnlijk uit een plaats in Judea en was daarmee de enige discipel van Jezus die uit Judea kwam.” 

Dus was Judas onder de uitverkorenen discipelen van Jezus die Hem dienden, de enige Judeër (of om het in ons moderne spraakgebruik te stellen, “Jood”) was, terwijl de overigen dit niet waren; “niet-Judeërs” of “niet-Joden” dus. Nogmaals, we weten niet zeker of deze “Simon Zelotes” ook de vader van Judas Iskariot geweest is; het is dan ook mogelijk dat hij dit níet was. Wat Judas als een van de leden van de Zeloten (of enige andere militante groep in het oude Israël) betreft, hebben we het hier slechts over een theorie. En een theorie is dan ook iets waarvan wordt aangenomen dat iets mogelijk zou kunnen zijn, een aanname, zónder dat hier concrete bewijzen voorhanden zijn.

 

Judas Iskariot & zijn Teleurstelling in Jezus en Diens Prediking over Liefde en Geweldloosheid. 

 

Het zou mogelijk geweest kunnen zijn dat Judas Iskariot in de tijd dat hij deel uitmaake van de kring van Jezus, hij er bij verschillende gelegenheden even tussenuit gegaan was om inlichtingen over Jezus aan zijn leidinggevenden van de militante groep waartoe hij behoorde, te verschaffen. Gaandeweg echter, zou Judas hoe meer hij Jezus over liefde en geweldloosheid hoorde prediken (zoals als men u op de ene wang slaat, keer hem dan ook de andere wang toe), teleurgesteld zijn; dit was nu net iets waar hij, zijn verzetsbeweging en haar leiders beslist niet achter konden staan; voor hen was het belangrijk dat de bevrijding van Israël van de Romeinse bezetter alleen gepaard kon gaan met een gewelddadige weerstand. De leiders zullen vervolgens geleidelijk aan hun interesse voor Jezus als een van hun toekomstige medestrijders verloren hebben. En dit kan tevens de mening van Judas zijn geweest. Maar Judas zou Judas niet zijn, als hij er ten voordele van zichzelf nog niet iets uit wist te halen. Intussen hadden de overpriesters en schriftgeleerden al besloten, Jezus om te brengen. Zij wisten echter nog niet, hóe zij dit zouden kunnen doen. Maar daar zou verandering in komen. Zij zouden er om hun samenzwering tegen Jezus te laten slagen, er een geschikte bondgenoot bij krijgen:

“Het feest van de ongezuurde broden, dat Pascha heet, was nabij. En de overpriesters en de schriftgeleerden zochten naar een manier om Hem om te brengen, want zij waren bevreesd voor het volk.” (Lukas 22:1-2)

Zo ongeveer diezelfde tijd hield Jezus met Zijn discipelen in Jeruzalem het avondmaal wat we nu kennen als het “Laatste Avondmaal.” En Hij had voor hen een belangrijke mededeling:

“Toen Jezus deze dingen gezegd had, raakte Zijn geest in beroering, en Hij getuigde en zei: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u dat een van u Mij zal verraden. De discipelen dan keken elkaar aan, in twijfel over wie Hij dat zei. En een van Zijn discipelen die Jezus liefhad, lag aan in de schoot van Jezus. Simon Petrus dan wenkte deze, dat hij vragen zou wie het toch zou kunnen zijn, over wie Hij sprak. En deze ging tegen Jezus’ borst liggen en zei tegen Hem: Heere, wie is het? Jezus antwoordde: Die is het aan wie Ik het stuk brood zal geven, nadat Ik het ingedoopt heb. En toen Hij het stuk brood ingedoopt had, gaf Hij het aan Judas Iskariot, de zoon van Simon. En met het nemen van het stuk brood voer de satan in hem. Jezus dan zei tegen Hem: Wat u wilt doen, doe het snel. En niemand van hen die aanlagen, begreep met welke bedoeling Hij dat tegen hem zei. Wantsommigen dachten, omdat Judas de beurs beheerde, dat Jezus tegen hem zei: Koop wat wij nodig hebben voor het feest, of dat hij iets aan de armen moest geven. Toen hij dan het stuk brood genomen had, ging hij meteen naar buiten. En het was nacht.” (Johannes 13:21-30)

En in Lukas 22 lezen we het vervolg op de verzen 1 en 2:

“Toen voer de satan in Judas, die de bijnaam Iskariot had, die bij het getal van de twaalf behoorde. En hij ging weg en sprak met de overpriesters en bevelhebbers van de tempelwacht hoe hij Hem aan hen zou overleveren. En zij verblijdden zich en kwamen overeen hem geld te geven. En hij stemde erin toe en zocht een geschikte gelegenheid om Hem, buiten de menigte om, aan hen over te leveren.” (verzen 3-6)

Maar Jezus had tijdens het avondmaal ook al een verhulde waarschuwing  aan Judas afgegeven:

“Maar zie, de hand van wie Mij veraadt, is met Mij aan de tafel. En de Zoon des mensen gaat wel heen zoals het bepaald is, maar wee die mens door wie Hij verraden wordt.”  (verzen 21-22)

Jezus wist vanaf het begin, wie Hem verraden zou en wist ook al wat het uiteindelijke lot van de verrader zou zijn. In Lukas 22:47-54 is het dan zover; tijdens Zijn gebed in de hof van Gethsemané wordt Jezus gearresteerd nadat Judas Hem verraden heeft met een kus; onderdeel van een begroeting in het oude Israël was, dat men elkaar begroette met een kus op de wang. Vervolgens werd Hij weggeleid, voor het Sanhedrin gebracht en wordt Hij voor de rechterstoel van de Romeinse gouverneur, Pontius Pilatus, door ttoedoen van de Joden aan hen overgeleverd. Nadat Jezus het kruis wat voor Hem gereedgemaakt was (met de hulp van Simon uit Cyrene) naar Golgotha (Schedelberg) had gedragen, wordt Hij er door de Romeinen aan genageld en sterft dan een kwellende dood.

 

Het Berouw van Judas. 

 

Aanvankelijk zal Judas blij zijn geweest met de dertig zilverlingen die hij voor zijn verraad van Jezus had gekregen. Nu meende hij echter dat nu hij Jezus eenmaal aan de overpriesters en schriftgeleerden had overgeleverd, zij Hem waarschijnlijk alleen gevangen zouden laten zetten. Of dat zij Hem misschien uit het land wilden laten verwijderen. Hij had echter nooit gedacht dat zij zover zouden gaan om Hem ter dood te laten brengen; tijdens het overleg tussen Judas, de overpriesters en schriftgeleerden zullen zij hem niet hebben verteld dat zij Jezus het liefst dood wilden hebben; kortom, Judas werd er buiten gelaten bij wát deze religieuze leiders wérkelijk met Hem van plan waren! Hoe dit in zijn werk ging, lezen we in Mattheüs:

“Toen het ochtend geworden was, kwamen al de overpriesters en de oudsten van het volk met betrekking tot Jezus gezamelijk tot het besluit om Hem te doden. En zij boeiden Hem, leidden Hem weg en leverden Hem over aan Pontius Pilatus, de stadhouder. Toen Judas, die Hem verradeb had, zag dat Hij veroordeeld was, kreeg hij berouw en hij bracht de dertig zilveren penningen bij de overpriesters en de oudsten terug en zei: Ik heb gezondigd, want ik heb onschuldig bloed verraden! Maar zij zeiden: Wat gaat ons dat aan? U moet maar zien. En nadat hij de zilveren penningen de tempel in gegooid had, vertrok hij. Hij ging heen en hing zich op.” (Mattheüs 27:1-5)

Nadat Judas was heengegaan, raapten de overpriesters de zilverlingen op en vonden het niet juist dat die in de offerkist gedaan zouden worden; het was “bloedgeld” en daarom dan ook iniet als offergave geschikt. Na overleg werd besloten er de akker van een pottenbakker voor te kopen waar in die tijd de vreemdelingen na overlijden naar hun laatste rustplaats werden gebracht:

“Toen is vervuld wat gesproken is door de profeet Jeremia: En zij hebben de dertig zilveren penningen genomen, de waarde van de Geschatte, Die zij geschat hadden uit de Israëlieten, en zij hebben die gegeven voor de akker van de pottenbakker, zoals de Heere mij bevolen heeft.” (zie verzen 6-10)

 

Dood van Judas. 

 

Judas was nadat hij gehoord had dat Jezus ter dood veroordeeld was, tot grote wanhoop vervallen en had nu veel berouw dat hij zelf had meegewerkt aan Zijn doodsvonnis. Nooit had hij kunnen geloven dat de religieuze leiders zóver zouden kunnen gaan dat zij pas dán tevreden zouden zijn, wanneer Jezus dood zou zijn. Maar hij zag nu dat zij dit wél konden en dit nu ook gedaan hadden. En nu liep hij met zware schuldgevoelens over zijn wandaad rond. En het meest vreselijke voor hem was toen hij naar de overpriesters gegaan en na zijn bekentennis onschuldig bloed verraden te hebben, de onverschillige en ijskoude houding van de religieuze leiders tegenover hem; zij hadden eindelijk bereikt wat zij wilden; Judas had nu eenmaal het geld voor zijn verraad ontvangen en wat Judas nu wél of níet dacht of vond, interesseerde hen totaal niet; zij hadden hun doel eindelijk bereikt en Judas kon het verder maar bekijken! Uiteindelijk werd hij er zo wanhopig onder dat hij zich van het leven beroofde door ophanging.

 

Niet te Wijzigen Voorbestemde Lotsbestemming? 

 

De profetie die lang geleden over Judas uitgesproken was, vinden we in het boek, Zacharia: 

“En ik heb tot hen gezegd: Indien het goed is in uw ogen, geeft mijn loon, maar indein niet, laat het. Toen wogen zij mijn loon af: dertig zilverstukken. Maar de HERE zeide tot mij: Werp dat de pottenbakker toe; een heerlijke prijs waarop Ik hunnerzijds geschat ben! En ik heb de dertig zilverstukken genomen en die in het huis des Heren de pottenbakker toegeworpen.” (Zacharia 11:11-13, NBG-vertaling)

Nadat Jezus uit de dood was opgestaan, Zijn discipelen Zijn laatste instructies had gegeven en vervolgens ten hemel gevaren was en twee engelen hen verteld hadden dat Jezus op dezelfde wijze terug zou keren als Hij heengegaan was (Handelingen 1:4-11), keerden zij terug naar Jeruzalem. Op de bovenverdieping van het gebouw waar zij verbleven, wachten zij met andere volgelingen op de komst van de Heilige Geest zoals door Jezus beloofd. In die tijd nam Petrus het woord:

“En in die dagen stond Petrus op te midden van de discipelen – er was namelijk een menigte bijeen van ongeveer honderdtwintig personen – en sprak: Mannenbroeders, dit Schriftwoord moest vervuld worden dat de Heilige Geest bij monde van David van tevoren gesproken heeft over Judas, die gids geweest is voor hen die Jezus gevangennamen; want hij werd bij ons gerekend en had aan deze bediening deel gekregen. Deze nu heeft met het loon van de ongerechtigheid een stuk grond verkregen, en nadat hij voorovergevallen was, barstte hij in het midden open en kwamen al zijn ingewanden naar buiten. En het is bekend geworden bij allen die in Jeruzalem wonen, zodat dat stuk grond in hun eigen taal Akeldama genoemd wordt, dat wil zeggen: bloedakker. Want er staat geschreven in het boek van de Psalmen: Laat zijn woonplaats woest worden en laat er niemand zijn die daarin woont. En: Laat een ander zijn ambt als opziener nemen.” (Handelingen 1:15-20)

Dan wordt er in de plaats van Judas een ander gekozen om het apostelambt wat hij eerst had, op zich te nemen. (verzen 21-26) De Psalm waar Petrus het aangaande Judas over had, is Psalm 41:10, (NBG-vertaling):

“Zelfs mijn vriend, op wie ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft zijn hiel tegen mij opgeheven.” 

Uit de contekst van deze Psalm (verzen 2-14) blijkt dat het hier allereerst over Koning David gaat die zich in zijn tijd in grote moeilijkheden bevond; hij werd namelijk zwaar vervolgd en bespot. Maar het ene vers, (10) wees tevens op een toen nog verre toekomst op Jezus. En dat wat Petrus over het woest worden van de woonplaats van Judas aangaat, vinden we weer terug in Psalm 69:26. Maar daar lezen we dat het er om meer personen gaat; we lezen er ook over een “kamp’ en “tenten” gaat in plaats van “zijn woonplaats.” Ook hier gaat het allereerst over de grote moeilijkheden waarin David destijds verkeerde maar sommige verzen zijn eigenlijk profetieën die heenwijzen naar de toekomst en op Jezus van toepassing waren. En we zullen hierbij beginnen bij vers 22:

“Ja zij gaven mij gif tot spijze, en lieten mij in mijn dorst azijn drinken. Hun tafel worde voor hun aangezicht tot een strik , en hun genoten tot een val. Laten hun ogen verduisterd worden, zodat zij niet zien, doe hun lendenen bestendig wankelen; stort over hen uw gramschap uit, en de gloed van uw toorn achterhale hen. Hun kamp worde tot woestenij, in hun tenten zij geen bewoner. Want wie Gij hebt geslagen, vervolgen zij, zij doen verhalen over de smart der door U gewonden. Voeg schuld bij hun schuld, zodat zij niet komen tot uw rechtvaardiging. Laten zij uit het boek des levens worden uigedelgd, met de rechtvaardigen niet worden opgeschreven. Maar ik ben ellendig en in smart, uw heil, o God, bescherme mij.” (verzen 22-30, NBG-vertaling)

Hier zien we dat hoewel er zijn naam niet wordt genoemd, niet alleen om Judas zelf gaat; het lijkt hier niet om de verrader van Jezus te gaan maar om meerdere personen die David in zijn tijd vervolgden. Aangezien we hier lezen over “hun kamp” en “hun tenten”,   en dat het hier alleen om de hier niet bij name genoemde Judas maar om meer mensen gaat, kunnen we hieruit concluderen, dat het hier om Judas en de Judeeërs gaat. Psalm 69 is eigenlijk dan ook een “messiaanse Psalm omdat er verschillende verzen zijn die zoals aangegeven, op de dan nog verre toekomst op Jezus betrekking hebben. Dat zij “mij gif tot spijze” gaven en dat zij “in mijn dorst azijn” lieten drinken, wijst natuurlijk op het moment dat men Jezus terwijl Die aan het kruis hing, “zure wijn” te drinken gaf:

“Ook de soldaten kwamen naderbij om Hem te bespotten en brachten Hem zure wijn te drinken, en zeiden: Indien Gij de Koning der Joden zijt, red dan Uzelf!” (Lukas 23″36-27, NBG-vertaling)

Dus was het eigenlijk niet slechts Judas die de kruisiging en dood van Jezus veroorzaakt had, maar tevens de Judeeërs (en door hun toedoen) de Romeinen. 

 

Jezus: Koning over Israël of Koning der Judeeërs? 

 

En hiermee komen we tot het volgende: nu we weten dat er overal waar we over “Jood” en “Joden” in onze moderne bijbelvertalingen lezen, er eigenlijk “Judeeër” en “Judeeërs” moet staan, wás Jezus dan wel Koning over geheel Israël? En eigenlijk wordt het antwoord hierop al gegeven: Jezus was tijdens Zijn bediening Koning over de Judeeërs maar geen Koning over geheel Israël! En dit verdient natuurlijk weer enige nadere uitleg: de Judeeërs (de stam van Juda) vormden in de dagen van Jezus eigenlijk de topklasse van de Israëlische samenleving. De leiders van deze klasse waren op hun beurt weer de overpriesters, Schriftgeleerden en Farizeeën. Het waren er dan ook de Judeeërs en haar genoemde religieuze leiders die er destijds het religieuze beleid voor de rest van de provincies in Israël bepaalden:

“Het woord Jood is afgeleid van Judeeërs die slechts een deel vormden van de Israëlieten. Deze term kan gebezigd worden vanaf de Babylonische ballingschap (ongeveer 600 v. Chr.). In joods-orthodoxe kringen wordt deze term met terugwerkende kracht geclaimd voor de Israëlieten van alle tijden. In het Nieuwe Testament lijkt de term Judeeërs vooral te duiden op de machtselite in Jeruzalem. Later is de term een naamgever van een godsdienst, die we in het Nederlands aanduiden met ‘het jodendom.’ In de 19e eeuw wordt deze term geclaimd door Theodoor Herzl en zijn volgelingen, de Zionisten. Deze beweging is daarentegen veeleer seculier dan godsdienstig.” https://donquijotte.files.wordpress.com/2014/12/jodengodendoorjansmelt.pdf (blz. 21, vetdruk toegevoegd)

Eigenlijk is het zo, dat Jezus de Koning van Juda was, maar ook de God van Israël. Als we dus spreken over de Koning der Joden. moet dit zoals we gezien hebben, zijn: Koning der Judeeërs.

 

Ton Nuiten – 5 Mei 2019.