Introduction: We hadden besloten deze site slechts aan Bijbelstudies te wijden; nu hadden we er al enkele van deze studies op https://tinthor.org gepubliceerd. We vonden dat we er hier echter een enkele site aan zouden moeten besteden. Hier is de eerste pagina met een uitgebreide verhandeling van verschillende bijbelse onderwerpen.
Degenen onder ons die hun Bijbel een beetje kennen, zullen zeker weten dat een van de woorden die er op verschillende plaatsen in de Bijbel te vinden is, (naast het woord “Israël”) het woord, “Jood” of “Joden” is. Voornamelijk in het Evangelie naar Johannes is dit het geval. Enkele voorbeelden: dat Jezus de verlamde man te Bethesda heeft genezen, viel dit niet goed bij de Joden:
“De man ging weg en berichtte de Joden dat het Jezus was Die hem gezond gemaakt had. En daarom vervolgden de Joden Jezus en probeerden zij Hem te doden, omdat Hij deze dingen op de sabbat deed.” (Johannes 5:15-16)
“Jezus dan zei tegen de Joden die in Hem geloofden: Als u in Mijn woord blijft, bent u werkelijk Mijn discipelen, en u zult de waarheid kennen, en de waarheid zal u vrijmaken.” (Johannes 8:31)
“Maar de Joden stookten de godvrezende en aanzienlijke vrouwen en de voornaamsten van de stad op en ontketenden een vervolging tegen Paulus en Barnabas, en zij verdreven hen uit hun gebied.” (Handelingen 13:50)
“Jood” of “Judeeër”?
Zoals hierboven te zien is, bevatten deze passages (en hier zijn nog meer voorbeelden van te vinden in het Nieuwe Testament) het woord, “Joden.” De vraag is nu: ís het woord “Jood” of “Joden” wel de oorspronkelijke vertaling geweest? In de Herziene Statenvertaling vanwaar we bovenstaande verzen hebben geciteerd, lezen we in het Oud-Testamentische boek der Koningen het volgende:
“In diezelfde tijd bracht Rezin, de koning van Syrië, Elath terug aan Syrië en verdreef hij de Judeeërs uit Elath.” (2 Koningen 16:6)
Het is hier dat we het woord “Judeeërs” tegenkomen en dit geeft een heel ander licht op de zaak. En als we heel beknopt de geschiedenis van de vele bijbelvertalingen doornemen, zal het duidelijk worden: voordat het woord “Jood” of “Joden” ingang vond in de vele bijbelvertalingen, werd daar waar we deze woorden nu lezen, het woord “Judeeër” of “Judeeërs” gevonden! Het woord “Jood” verscheen voor het eerst in 1775. Wíe hij ook was die hier verantwoordelijk voor was weten we niet; wat we echter wél weten, is dat dit inmiddels voor veel verwarring heeft gezorgd. Zoals het woord in 2 Koningen 16:6 is vertaald, nl. “Judeeërs”, zo behoort het ook overal elders in de Bijbel vertaald te zijn.
Benjamin Freedman: “Facts are Facts.”
Iemand die in het verleden goed heeft uitgelegd waarom de oorspronkelijke vertaling “Judeeër” dan wel “Judeeërs” moet zijn, was de Joodse Christen, Benjamin Freedman. In zijn “Facts are Facts” vertelt hij o.a dat de overgrote meerderheid der Joden eigenlijk van Khazariaanse afkomst is. https://biblicisminstitute.wordpress.com/2014/08/29/the-word-jew-is-not-in-the-bible/
Jezus de Judeeër: Verworpen door Zijn Mede-Judeeërs.
Wanneer we overal daar waar we het woord “Jood” of “Joden” lezen en dit vervangen door “Judeeër” of “Judeeërs”,worden er bepaalde dingen duidelijk. Jezus Zelf was een Judeeër ten tijde van Zijn omwandeling hier op aarde. In Johannes 1:11 lezen we dit:
“Hij kwam tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.”
Als het hier nu om “de Joden” (want hiermee wordt officieel geheel Israël mee bedoeld) zou gaan waarvan de overgrote meerderheid Hem had verworpen, zou dit nogal vreemd zijn; in de evangelieën lezen we immers dat Jezus veel aanhangers had in verschillende regio’s van Israël. Hoe kan het dan dat we desondanks toch lezen dat de “Zijnen” Hem niet hadden aanvaard? De verwarring die hierbij is ontstaan, is dat vele Christenen Israël ten tijde van Jezus als ook het huidige Israël als (bijna) geheel “Joods” zien. Geheel Israël was destijds vnl. samengesteld uit Joden, zo menen zij. Zij hebben dan ook geen kennis van de achtergrond betreffende de hervertaling van het woord “Judeeër” naar “Jood” in 1775! Maar als we hier “Judeeërs” lezen in plaats van “Joden”, wordt het duidelijk: Jezus kwam als Judeeër tot Zijn mede-Judeeërs en het zijn nu zij die Hem niet hadden aanvaard! In de provincie, Galilea, bijvoorbeeld had Jezus juist een grote aanhang aan volgelingen! Het was nl. in Judea dat Jezus herhaaldelijk werd blootgesteld aan tegenstand en vervolging. In Johannes 11 lezen we over de opwekking van Lazarus die korte tijd daarvoor overleden was. Jezus die op dat moment elders verblijft, krijgt vanuit Judea te horen dat Lazarus ziek is en of Hij wil komen om hem te genezen. Hij besluit echter nog twee dagen te blijven. En,
“Daarna zei Hij tegen de discipelen: Laten wij weer naar Judea gaan. De discipelen zeiden tegen Hem: Rabbi, de Joden hebben U onlangs nog geprobeerd te stenigen, en gaat U daar weer heen?” (verzen 7-8)
Als we hier de woorden “de Judeeërs” plaatsen in plaats van “de Joden” past dit ook veel beter in deze passage:
“Daarna zei Hij tegen Zijn discipelen: Laten wij weer naar Judea gaan. De discipelen zeiden tegen Hem: Rabbi, de Judeeërs hebben U onlangs nog geprobeerd te stenigen, en gaat U daar weer heen?”
En het wordt nog duidelijker in de verzen 53-54:
“Vanaf die dag waren zij” (de overpriesters en de Farizeeën) “vastbesloten om Hem te doden. Jezus dan verkeerde niet mee openlijk onder de Joden, maar Hij ging vandaar naar het land bij de woestijn, naar een stad die Efraïm heette, en verbleef daar met Zijn discipelen.”
Efraïm was een stad die net zoals andere steden, bij Israël hoorde. Aangezien Jezus met Zijn volgelingen naar die stad gegaan was om de Joden te ontlopen, betekent dit natuurlijk dat er in EfraIm geen Joden (of beter, geen Judeërs) woonden. Wel Israëlieten. En dit wil weer zeggen dat de bevolking van Israël als geheel weliswaar Israëlieten waren (niet-Judeërs dus) en dat het slechts de Judeërs waren die in ons huidige taalgebruik nu Joden noemen. Door de bevolking van het oude Israël als geheel als Joden te beschouwen, is dan ook niet juist. Het waren dan ook de overpriesters, oudsten, de Farizeeërs en de Judeërs die Jezus nadat Hij een grote aanhang gekregen had in Judea vanwege de wonderbaarlijke opwekking uit de dood van Lazarus, wilden doden. Zou het echter het grootste deel van Israël zijn geweest wat Jezus wilde doden, dan zou Hij dan ook niet lang veilig in Efraïm zijn gebleven; ook daar zou er dan spoedig na Zijn komst in de stad een oproep uitgegaan zijn om Hem te doden. Maar zoals we zien, was dit nooit gebeurd. Waren het dus “dé Joden” die Jezus hadden gedood? Nee, het waren de Judeërs. En Judea was tijdens de bediening van Jezus in Israël slechts een provincie.
“Zie, zijn het niet allen Galileeërs Die Daar Spreken?” Kerk Gesticht door God via Niet-Judeeërs.
Als het tijdens discussies over Israël en het Joodse volk gaat en een van de onderwerpen die hierbij worden besproken wordt, de stichting van de Kerk zoals in het boek, Handelingen (Handelingen 2) is opgetekend, is, heeft men het vaak zo niet altijd over een “Joodse Kerk.” Men beweert dan dat de eerste kerk gesticht werd door Joden. Later echter, zo gaat het verhaal, kwamen er de heidenen (waarmee men dan de niet-Joden bedoelt) en toen die laatsten er eenmaal een meerderheid geworden waren, dreen die er de Joden uit en veranderden er de Joodse feestdagen en gebruiken of schaften er enkele daarvan af. Wat dit laatste betreft, wijst men hierbij het tijdvak der Kerkvaders aan (circa in het midden van de 2e eeuw). En zo, zegt men, is ook het zgn. “christelijke anti-Semitisme” begonnen. Kerkvaders zoals o. a. Ireaneus, Johannes Chrysostomes, wordt het dan verweten zich zeer negatief over de Joden te hebben uitgelaten. En dit “anti-Semitisme” zou zich vervolgens door de daarop volgende eeuwen hebben voortgezet tot circa eind 1700 begin 1800. Maar zijn het wel uitsluitend Joden geweest die er door God gebruikt werden om er de Kerk in Jeruzalem te stichten? De stichting van de Kerk, zo lezen we er in Handelingen 2, ging gepaard met het “spreken in vreemde talen”, een bovennatuurlijke gave die de apostelen in de bovenkamer van het gebouw waar zij zich in die tijd bevonden, gegeven werd. Het was een gave waarmee God de apostelen in staat stelde, die Joden die in die tijd te Jeruzalem verbleven en die er waren o er he Pinksterfeest te vieren, het Evangelie in ieder hun eigen taal te verkondigen; zij óf hun ouders waren veel eerder vanuit Israël naar landen zoals Egypte, Arabië en andere landen geëmigreerd en hadden op den duur hun eigen taal verleerd. Het gevolg was dat zij van die tijd af slechts nog de taal van het land waar zij of hun voorouders heengegaan waren, spraken. Zouden nu de apostelen er de mensen die er in Jeruzalem verbleven slechts in staat zijn geweest het Evangelie in hun eigen taal te verkondigen, dan zou dat -hoe kan het ook anders- geen enkel resultaat hebben opgeleverd om de eenvoudige reden dat de toehoorders hen niet verstaan laat staan begrepen zouden hebben. Om die reden schonk God Zijn Heilige Geest aan de apostelen gepaard gaande met het spreken in vreemde doch bestaande aardse talen en het profeteren. Aldus hoorden ook deze Joden uit vreemde landen voor het eerst het Evangelie “in onze eigen taal, waarin wij geboren zijn”, tot hen spreken. En hiermede is de overtuiging binnen de charismatische beweging dat het “spreken in nieuwe tongen” een voor iedereen onbekende “hemelse taal” of “engelentaal” zou zijn, weerlegd. Maar wat waren dit nu voor mannen waarmee God er Zijn Kerk had gesticht? Degenen die er de apostelen het Evangelie hoorden verkondigen, geven zelf het antwoord:
“Zie, zijn het niet allen Galileeërs die daar spreken? En hoe kunnen wij hen dan horen, eenieder in onze eigen taal, waarin zij geboren zijn?”
Galilea was net zoals Judea in de dagen van Jezus een der provincies van Israël. Dus waren de apostelen in tegenstelling met de Judeeërs dan ook niet-Judeeërs (of volgens het moderne spraakgebruik, niet-Joden). Door wie had God de Kerk dus gesticht? Juist, door niet-Joden. En dit maakt natuurlijk al dat hoewel er ook wel Joden binnen die kerk waren, die een niet-Joodse maar vnl. een heidense Kerk was!
Het Begin van de Bediening van Jezus: “Het Galilea Waar de Heidenvolken Wonen.”
Ook nu nog wordt door Christenen aangenomen dat Jezus het Evangelie het eerst alleen aan de Joden zou hebben gebracht. Dit is echter deels een misvatting. In Het boek van de profeet, Jesaja, lezen we er nl. dit:
“Voorzeker, er zal geen donkerheid blijven voor het land waarin benauwdheid is. Zoals Hij in vroeger tijd minachting heeft gebracht over het land van Zabulon en over het land van Naftali, zo zal Hij in later tijd eer bewijzen aan de Weg van de zee, de overkant van de Jordaan, het Galilea waar de heidenvolken wonen. Het volk dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien. Zij die wonen in het land van de schaduw van de dood, over hen zal een licht schijnen.” (jesaja 8:32, 9:1)
Dan gaan we nu naar het Evangelie naar Mattheüs:
“Toen Jezus gehoord had dat Johannes overgeleverd was, keerde Hij terug naar Galilea. Hij verliet Nazareth en ging wonen in Kapernaüm, dat aan de zee lag, in het gebied van Zebulon en Naftali, opdat vervuld zou worden wat door de profeet Jesaja gesproken werd toen hij zei: Land Zebulon en land Naftali, gebied over de weg naar de zee en over de Jordaan, Galilea van de volken, het volk dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien; en voor hen die zaten in het land en de schaduw van de dood, is een licht opgegaan. Van toen af begon Jezus te prediken en te zeggen: Bekeer u, want het Koninkrijk de hemelen is nabijgekomen.? (Mattheüs 4:12-17)
Het was dus te Galilea waar Jezus voor het eerst Zijn bediening begon. En de Israëlieten die er destijds woonden, waren voor het grootste deel geen Judeeërs (Joden) maar heidenen. Dus werd het Evangelie er het eerst gebracht aan voornamelijk Israëlitische niet-Joden. Om die reden is het dan ook onjuist om zoals Christenen dit ook vandaag nog doen, het hele volk Israël als Joden te beschouwen. En zoals we al gezien hebben, de apostelen die er destijds door middel van vreemde bestaande talen het Evangelie in Handelingen 2 verkondigden, waren uit Galilea afkomstig en daarom dan ook heidenen.
Jezus uit Galilea: de Verwarring onder de Farizeeën.
Zoals bekend zal zijn voor de bijbellezers, ontkenden de Farizeeën dat Jezus de Messias was vnl. omdat Hij in hun ogen regelmatig de Sabbat schond; her aren plukken door Jezus’ discipelen op de Sabbat en de genezing van de man met een verschrompelde rechterhand zijn twee van die voorbeelden. (Lukas 6:1-11) De Sabbat werd als een van de meest heilige dagen door de Farizeeën beschouwd. Schending hiervan werd als een “doodzonde” gezien. Zowel dat wat de disipelen deden en het wonder wat Jezus op de heiligste dag verrichtte, werd door de Farizeeën als het verrichten van werk beschouwd. En werken op de Sabbat was nu eenmaal streng verboden. Om die reden zo redeneerden zij, kón Jezus dan ook de Messias niet zijn. Maar er was nog een ándere reden dat zij Jezus als de Messias diskwalificeerden; Hij was nl. niet uit Juda afkomstig. En de Farizeeën waren er maar al te goed op de hoogte van de profetie ven Micha dat de Messias uit Juda voort zou komen:
“En u, Bethlehem-Efratah, al bent u klein onder de duizenden van Juda, uit u zal Mij voortkomen Die een heerser zal zijn in Israël. Zijn oorsprongen zijn van oudsher, van eeuwige dagen af.” (Micha 5:1)
In Johannes 7 lezen we dat de Farizeeën er dienaars op uitgestuurd hadden om Jezus te arresteren en voor de Raad te brengen. Vers 32) Die keren echter onverrichterzake terug. Op de vraag van de Farizeeën waarom zij Hem niet meegebracht hadden zeiden de dienaars dat zij nog nooit iemand hadden gehoord die zó kon spreken. De Farizeeën vragen hen of zij soms ook door Jezus misleid waren. En Nicodemus die eerder ‘s nachts heimelijk een bezoek aan Jezus had gebracht (Johannes 3:1-27), vraagt zijn mede-Farizeeën of de wet iemand veroordeelt, vóórdat men kennis heeft genomen van wat hij is en doet. (verzen 45-51) Waarop de Farizeeën hem dit antwoord gaven:
“Bent u soms ook uit Galilea? Onderzoek en zie dat in Galilea geen profeet is opgestaan.” (vers 52)
En met de profetie uit Micha levendig in hun gedachten gingen zij ieder naar hun huis. De verwarring die er onder de Farizeeën omtrent Jezus’ afkomst was echter te begrijpen. Nadat bekend geworden was dat Jezus geboren was, waren er wijzen uit het Oosten die na het horen hiervan op reis gegaan naar Jeruzalem. Zij vertellen er koning Herodes dat de “Koning van de Joden” geboren is en vragen hem waar zij Hem kunnen vinden. Herodes laat vervolgens alle overpriesters en schriftgeleerden bij zich roepen om deze vraag beantwoord te krijgen:
“Zij zeiden tegen hem: In bethlehem, in Judea, want zo staat het geschreven door de profeet: En u, Bethlehem, land van Juda, bent beslist niet de minste onder de vorsten van Juda, want uit u zal de Leidsman voortkomen Die Mijn volk weiden zal.” (zie Mattheüs 2:1-6)
De Joodse geleerden waren er dus goed op de hoogte van, waar de Koning/Messias geboren zou worden. En nu was het dan zover. Herodes verlangt van de wijzen dat zij als zij eenmaal in Juda aangekomen zullen zijn, zij later weer naar hem terug zullen keren om hem te vertellen, wáár precies Jezus in Bethlehem geboren is; dit opdat hij er dan ook heen zal gaan om de pasgeboren Koning te aanbidden. Zij krijgen later echter in een goddelijke droom te verstaan dat zij niet naar Herodes terug moeten keren maar langs een andere weg naar hun land toe te gaan. En Jozef en Maria worden door een engel Gods in een droom vermaand het Kind te nemen, naar Egypte te gaan om nadat Herodes overleden zal zijn, dan pas weer terug te keren. Nadat Herodes merkt dat hij door de wijzen is misleid, maakt hem dit zo woedend dat hij er enkele soldaten op uitstuurt om er te Bethlehem en omgeving alle jongetjes van onder de twee jaar om te brengen; dit in de hoop dat daar ook Jezus onder zal zijn. Nadat Herodes eenmaal overleden was, kregen Jozef en Maria opdracht van de engel Gods weer terug te keren. (Mattheüs 2:7-23) Zo keerden zij weer terug naar Israël. Maar,
“Toen hij echter hoorde dat Archelaüs in Judea koning was in de plaats van zijn vader Herodes, was hij bevreesd daarheen te gaan. Maar nadat zij door een aanwijzing van God in een droom gewaarschuwd waren, vertrok hij naar het gebied Galilea. En toen hij daar gekomen was, ging hij wonen in een stad die Nazareth heette, zodat vervuld werd door de profeten gezegd is: dat Hij Nazarener genoemd zal worden.” (verzen 22-23)
Dat Jozef, Maria en het Kond Jezus achteraf in Nazareth in Galilea waren gaan wonen, was de Farizeeën onbekend. Daar het in Galilea was waar Jezus met Zijn bediening begonnen was, namen zij aan dat Hij daar ook geboren moest zijn en dan ook niet de geprofeteerde Messias in de profetie van Micha kon zijn. Alzo zullen zij Jezus als een valse (niet-Joodse) Messias hebben beschouwd. Maar zoals we gezien hebben, het feit dat Jezus geboren was in Bethlehem (Judea), maakte dat Jezus wel dégelijk een “Jood” (Judeeër) was! Ook onder de bevolking zelf was men het er niet over eens of Jezus nu wél of niet de Messias was:
“Velen dan uit de menigte dit dit woord” (van de prediking van Jezus) “hoorden, zeiden: Hij is werkelijk de Profeet. Anderen zeiden: Hij is de Christus. En weer anderen zeiden: De Christus komt toch niet uit Galilea? Zegt de Schrift niet dat de Christus komt uit het geslacht van David en uit het dorp Bethlehem, waar David was? Er ontstond dan verdeeldheid onder de menigte vanwege Hem.” (Johannes 7: 40-43)
Nu zouden we kunnen zeggen daar zij niet wisten dat Jezus in Bethlehem te Judea geboren was, zij dan ook ergens een excuus zouden hebben om Hem als Messias te verwerpen. Maar de vele opzienbarende wonderen en tekenen die Jezus onder hen deed, waren juist bedoeld om hen Zijn Messiasschap te bewijzen. Maar,
“Als Ik niet gekomen was en tot hen gesproken had, hadden zij geen zonde, maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hun zonde. Wie Mij haat, haat ook Mijn Vader. Als Ik onder hen niet de werken gedaan had die niemand anders gedaan heeft, hadden zij geen zonde, maar nu hebben zij ze gezien en Mij en Mijn Vader gehaat. Marar het woord moet vervuld worden dat in hun wet geschreven is: Zij hebben Mij zonder reden gehaat.” Johannes 16:22-25)
Zou Jezus het Evangelie noch de vele “werken” (wonderen en tekenen) niet onder hen hebben verkondigd en verricht, dan zouden zij een excuus hebben gehad Hem niet als de Messias te erkennen. Daar Hij hen de Goede Tijding had gebracht en die wonderen echter toch gedaan had en zij Hem desondanks niet als de Messias hadden erkend, hadden zij nu geen voorwendsel (excuus) meer voor hun zonde van afwijzing van Jezus als de Messias.
Het Heil uit de Joden?
Een ander argument wat door de christenzionisten wordt gebruikt om het te doen voorkomen dat geheel Israël als “heilig” (en dus immuun voor kritiek) wordt beschouwd, is dat zij erop wijzen dat het “Heil” (Jezus Zelf) “uit “de Joden” was. Met “Joden” bedoelen zij dus geheel Israël, de twaalf stammen in hun geheel. Tijdens Zijn conversatie met de Samaritaanse vrouw bij de bron van Jakob (Hohannes 4) vertelde Jezus de vrouw o.a. dit:
“U aanbidt wat u niet weet; wij aanbidden wat wij weten, want de zaligheid is uit de Joden.” (vers 22)
De vrouw was zoals de naam het al aangeeft, afkomstig uit de provincie Samaria en men was er van mening dat God vanaf de berg, Gerizim, aanbeden moest worden terwijl men dit in Judea vanuit Jeruzalem deed. Het woord “Joden” dient dan ook hier te worden vervangen met “Judeeërs.” Dus was de zaligheid (het Heil) “…uit de Judeeërs.” Dit had dus geen betrekking op geheel Israël maar slechts op een der provincies van dit land. Tevens moet hier de nadruk worden gelegd op het woordje, “uit”. en niet “van”. Dit vermelden we er even bij daar er zijn die menen dat omdat Jezus “van” de stam Juda afkomstig was, zo geheel Juda (en eigenlijk bedoelen zij hier ook geheel Israël mee) “heilig” zou zijn. Het Heil was wel afkomstig uit de Joden, maar die hebben hier echter niets aan bijgedragen; het was slechts de soevereine wil van God, waardoor Jezus uit Juda voortgekomen was.
De Judeeërs: Racisten in de Tijd van Jezus.
Zoals de geschiedenis in Johannes 4 al laat zien, rustte Jezus, vermoeid van de reis, uit bij de bron van Jakob te Sichar. Nadat de Samaritaanse vrouw bij de bron is gekomen, vraagt Jezus haar Hem te drinken te geven. Let nu eens op haar reactie:
“Hoe vraagt U, Die een Jood bent, van mij te drinken, die een Samaritaanse vrouw ben?” (vers 9) In ditzelfde vers staat er dan tussen haakjes het volgende achter te lezen:
“(Want Joden hebben geen omgang met Samaritanen.)”
Als de juiste vertaling van dit vers “Joden” zou impliceren, zou men denken dat het geheel Israël zou zijn geweest wat geen omgang (sociaal verkeer) met de Samaritanen wenste; zoals al aangegeven, werd (bijna) geheel Israël als “Joods” beschouwd en dat wordt het door de christenzionisten nog steeds als zodanig beschouwd. Maar als we het woord “Joden” met “Judeeërs” vervangen, wordt het duidelijk: het waren de Judeeërs die geen sociaal verkeer wensten met Samaritanen daar zij van zichzelf meenden, een uitverkoren volk van God te zijn en de Samaritanen als een van de “inferieure volken” beschouwden waarvan zij het niet waardig achtten hier ook maar het minste contact mee te ondehouden! De Samaritaanse vrouw zal daarom vreemd op hebben gekeken toen zij (vermoedelijk voor het eerst) een Judeeër bij de bron van Jakob zag; een Judeeër, hier, bij de bron van Jakob? Maar die komen hier anders nooit daar zij ons, Samaritanen, te min achten om er sociale relaties te onderhouden! Wat doet déze Judeeër dan hier! Als Jezus Zich tijdens het gesprek met de Samaritaanse vrouw bekend maakt als de Messias, leidt dit ertoe dat vele Samaritanen in Hem gaan geloven. (verzen 25-30, 39-42) De benaming Samaritaan werd door de Judeeërs in die tijd ook als een scheldwoord gebruikt zoals blijkt uit een van de confrontaties dei Jezus met hen had. (Johannes 8) Jezus verweette hen erop uit te zijn op Zijn dood (vers 40) en Hij zei tegen hen o.a. dit:
“U bent uit uw vader de duivel, en wilt de begeerten van uw vader doen; die was een mensenmoordenaar van het begin af, en staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij vanuit wat van hemzelf is, want hij is een leugenaar en de vader van de leugen.” (vers 44)
Dan verwijt Jezus hen dat zij de woorden Gods (die Hij tot hen spreekt) niet kunnen horen (= niet kunnen begrijpen) omdat zij geen zonen van God zijn; zou dit wél het geval zijn, dan zouden de Judeeërs van God afkomstig zijn. De reactie van de Judeeërs op wat Jezus hen vertelde:
“De Joden” (Judeeërs) “dan antwoordden en zeiden tegen Hem: Zeggen wij niet terecht dat U een Samaritaan bent en door een demon bezeten bent?” (vers 48)
Hun antwoord op wat Jezus hen vertelde, laat aan de verbeelding niets te wensen over: De Judeeërs (en niet “geheel Israël) waren de grootste racisten in de tijd van Jezus!
“Maar Deze Menigte, die de Wet niet Kent…”
Het waren echter de Farizeeën (de heersende priesterschap met veel macht en invloed in het oude Israël) die de grootste racisten waren. Het komt hen op een zeker moment ter ore dat men zich binnen de grote menigte die Jezus volgde afvroeg dat wanneer de Messias zou komen, hij meer wonderen zou doen dan Jezus al had gedaan. Men had Hem dus (nog) niet herkend als de wáre Messias. (Johannes 7) De Farizeeën beschouwen hetgeen door de menigte werd geopperd als een grote bedreiging voor hun overheersende positie en sturen er zoals eerder gezegd, hun dienaars erop uit om Hem op te pakken. (verzen 31-32) Zij keren later echter onverichterzake terug; op de vraag van de Farizeeën waarom zij Jezus niet hebben gearresteerd, antwoorden de dienaars dat er nog nooit iemand zó had gesproken als Jezus had gedaan. Het antwoord van de Farizeeën laat dan zien hoe zij over de menigten die Jezus volgde dachten:
“De Farizeeën dan antwoordden hun: Bent u soms ook misleid? Heeft iemand van onze leiders soms in Hem geloofd, of van de Farizeeën? Maar deze menigte, die de wet niet kent, is vervloekt.” (verzen 47-49)
En dit was dan de mening van deze “godsgeleerden” over de aanhang die Jezus volgde; zijzelf waanden zich superieur tegenover allen die zij minachtten, inclusief de talloze Israëlische (niet-Judese) aanhangers van Jezus!
“Wie Joden Minacht, Vervloekt Hen Al.”
Over het “minachten” gesproken, recent heeft de christenzionist, Dirk van Genderen, een artikel op zijn website gepubliceerd waarin hij beweert dat zij die Israël en het Joodse volk minachten, hen al vervloekt. Hier heeft hij het echter niet slechts over degenene die dit inderdaad (zouden) doen; ook hén die er een ándere mening over Israël en het Joodse volk er op nahouden (degenen die in de zgn. “vervangingstheologie” geloven die leert dat de christelijke kerk de plaats ingenomen zou hebben) komen er niet al te goed vanaf. Ook zij, zo geeft Van Genderen te verstaan, minachten (“vervloeken”) Israël op deze wijze en halen zich om die reden vroeg of laat een oordeelsvonnis van God over zich heen:
“Maar ik denk ook aan alle theologen die zich keren tegen Israël en tegen het Joodse volk. Wie met de Bijbel in de hand beweert dat Israël heeft afgedaan, dat er geen toekomst voor het Joodse volk en dat de kerk in plaats van Israël is gekomen, vervloekt Israël in de eerdere betekenis van kalal.” https://www.dirkvangenderen.nl/2017/03/03/wie-joden-minacht-vervloekt-hen-al/
Dirk van Genderen: Bevooroordeeld & Verblind.
Het is ronduit onvoorstelbaar wat Van Genderen hier beweert over hen die zónder Israël en het Joodse volk te minachten een andere mening hierover hebben! En die is dat Israël en het Joodse volk geen toekomst als het uitverkoren volk van God hebben; het gaat hier dus niet om het bestaansrecht van Israël en het Joodse volk an sich! Hij beweert dat ook zíj zich een oordeel Gods op de hals zullen halen daar ook zíj Israël en het Joodse volk met hun andere mening zouden “vervloeken”! De man heeft duidelijk niet het minste besef van wat de Bijbel wérkelijk over Israël en de christelijke ker leert! Maar laten we nu eens kijken naar de reactie van de Farizeeër, Nicodemus, die Jezus eerder in de nacht had bezocht om meer over Hem te weten te komen. (Johannes 3:1-21) Nicodemus vroeg zijn mede-Farizeeërs nl. het volgende:
“Veroordeelt soms onze wet de mens, als zij hem niet eerst hoort en kennis genomen heeft van wat hij doet?’ (Johannes 7:51)
Het gaat hier zoals wel duidelijk zal zijn over Jezus die door de rest der Farizeeën als een bedrieger werd beschouwd. Maar Nicodemus was nog de enige die iets zinnigs had te zeggen: Men moet niemand veroordelen voordat men kennis heeft genomen voordat hij eerst is gehoord en men kennis heeft genomen van wat hij doet. Pas daarna kan er een juist oordeel over de betreffende persoon worden geveld! Maar voor de overige Farizeeën stond het al vast als een spijker op laag water die zij eerder hadden gezocht en gevonden: Jezus wás niet afkomstig uit Galilea dus kon Hij de Messias dan ook niet zijn! En zo lijkt dit ook het geval met Van Genderen over de theologen die hij al onmiddelijk een dreigende aankondiging van een komend godsoordeel aflevert omdat zij met een ándere mening komen dan hij die heeft; voor hem staat het volkomen vast dat zij Israël en het Joodse volk met hun andere visie zouden vervloeken. Kennelijk heeft hij, net zoals de Farizeeeërs tnn tijde van Jezus, geen voldoende tijd ingestoken om eens na te gaan wie deze theologen dan wel zijn en wat zij doen. En mocht dit dan al wél het geval zijn geweest, dan hebben zijn vooroordelen over deze theologen hem verblind voor de mogelijjheid dat die weleens de waarheid gesproken zouden kunnen hebben! En zo zijn er wel vele christenzionisten meer die door hun eigen bevooroordeelde visie volkomen verblind zijn zoals uit de reacties op zijn artikel maar al te goed blijkt.
Wie is Vandaag de Dag een Judeeër?
We leven nu in 2017. En het is nu circa 2017 jaren geleden dat Jezus in Israël Zijn bediening had. In deze uitgestrekte tijdspanne is er veel gebeurd. Nadat de Romeinse veldheer, Titus, de stad Jeruzalem en de tempel met de grong gelijk had gemaakt in het jaar 70 na Chr. werden de Joden door keizer Hadrianus uit het land verdreven. De meerderheid trok onder leiding van de Farizeeën naar het oude Babylon waar de meerderheid der Joden (nakomelingen van hen die ten tijde van de profeet Jeremia naar babel waren gedeporteerd door de koning van Babel, Nebukadrezar), tot dat toe ononderbroken had geleefd. Daar stichtten zij Talmudische scholen en universiteiten. Later werden zij uit Babel verdreven en trokken zij geleidelijk westwaarts. Uiteindelijk kwamen zij bij een enorm en uitgestrekt rijk terecht: het krijgslustige Khazarië. De koning van dat rijk, Bulan geheten, besloot nadat hij met de drie grootste religies bekend was geworden, het Judaïsme als staatsgodsdienst te accepteren. Aanvankelijk waren het slecht de koning en de Khazariaanse adel die tot het Joodse geloof overgingen. Zijn opvolger die zich een Joodse naam had aangemeten, Obadjah, maakte er meer vaart mee en na een bepaalde tijd was het Khazariaanse volk als geheel tot het Jodendom overgegaan. Het gevolg was nu dat zij bekend werden als Joden. In die tijd was Khazarië regelmatig in strijd gewikkeld met de omliggende volken en uiteindelijk leidde dit ertoe dat zij werden verslagen. Zij werden vervolgens uit hun woongebied verdreven, trokken verder naar het westen, kwamen wat nu het huidige Polen is binnen en zakten daarna verder naar West-Europa af. Na de landen zoals Duitsland, Spanje, Portugal etc. binnengekomen te zijn, werden de Khazariërs er bekend als “Joden.” Vermoedelijk had men er niet het misnte idee van dat zij weleens van niet-Joodse afkomst zouden kunnen zijn. De overgrote meerderheid van deze “Joden” zijn nu bekend als de Ashkenazi-Joden. En hoewel zij beweerden dat Palestina (zoals Israël door Hadrianus later was hernoemd) hun oorspronkelijke woongebied zou zijn, had er geen van hen er ooit een voet aan land gezet! En aangezien de massale bekering van de Khazariërs leidde tot huwelijken tussen Joden en Khazariërs was het resultaat dat de oorspronkelijke Joden volkomen opgingen in de Khazariaanse bevolking.Het gevolg is dat er vandaag de dag geen oorspronkelijke (etnische) Judeeërs/Joden meer zijn ! Dus hebben we vandaag de dag “Joden” die eigenlijk helemaal geen Joden zijn. We hebben het hier slechts in grote lijnen weergegeven maar Dr. Eran Elhaik, een prominente (Joodse) DNA-geleerde heeft met andere wetenschappers een genetische studie naar de huidige Ashkenazische Joden uitgevoerd waarbij zij tot verrassende conclusies kwamen. De meerderheid der Ashkenazische Joden zijn hoofdzakelijk afkomstig uit het oude Turkije. Zij zijn de nakomelingen van Grieken, Iraniërs en anderen die nu meer dan tweeduizend jaar geleden datgene koloniseerden wat nu het huidige Noord-Turkije is. In de eerste eeuwen van na de christelijke jaartelling werden zij waarschijnlijk door Joden uit Perzië tot het Jodendom bekeerd. In die tijd was het Perzische rijk het onderkomen voor de grootste Joodse gemeenschappen der wereld. http://www.independent,co.uk/news/science/archeology/scientists-reveal-jewish-historys-forgotten-turkish-roots-a6992076.html En hieruit vloeit tenslotte de vraag welke Jood zich nog werkelijk kan identificeren als een etnische Judeeër! Het antwoord zal misschien wel duidelijk zijn.
Maar Tóch …
Maar laten we eens veronderstellen dat het voor sommige van onze Joodse medemensen mogelijk zou zijn hun oorsprong helemaal terug te voeren tot een der oude Judeeërs van Israël. Zou het dan misschien kunnen zijn dat zij een van de verre Judese voorvaderen hadden die Jezus zo hevig hadden vervolgd? Sterker nog, zou het kunnen dat enkelen van hen hun oorsprong dan zouden weten terug te voeren tot de hogepriester, Kajafas, die oordeelde dat Jezus schuldig was aan godslastering daar Hij Zichzelf aan God gelijk achtte? Ja, stel je eens voor dat dít eens mogelijk zou zijn!
De Apostel Paulus & Etnische Afkomst.
Ook al zouden er Joodse medemensen zijn die hun oorsprong zouden weten terug te voeren tot de oude Judeeërs, dan is hier de apostel, Paulus, die hier het volgende over te zeggen had m.b.t. Jezus:
“Want de liefde van Christus dringt ons, die tot dit oordeel gekomen zijn: Als Eén voor allen gestorven is, dan zijn zij allen gestorven. En Hij is voor allen gestorven, opdat zij die leven, niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem Die voor hen gestorven en opgewekt is. Zo kennen wij vanaf nu niemand naar het vlees; en al hebben wij Christus naar het vlees gekend, dan kennen wij Hem nu zo niet meer. Daarom, als iemand in Christus is, is hij een nieuwe schepping: het oude is voorbijgegaan, zie, alles is nieuw geworden. En dit alles is uit God, Die ons met Zichzelf verzoend heeft door Jezus Christus, en ons de bediening van de verzoening gegeven heeft.” (2 Korinthe 5:14-18)
Wat we hier lezen, is belangrijk, voornamelijk voor christenzionisten zoals Dirk van Genderen. Paulus zegt hier nu dat we Christus niet langer “naar het vlees” ofwel naar Diens etnische afkomst kennen. Zeker, Hij was een Judeeër, maar dit is niet van belang. Kennelijk waen er sommigen onder de Korintische gelovigen die nog enig belang hechtten aan de etnische afkomst van Jezus als Judeeër/Jood. En dit zien we ook weer bij Van Genderen en de overige christenzionisten. Maar Paulus maakte hen duidelijk dat dit niet (meer) van belang was. Het enige wat telde zo vertelde de apostel hen, was dat men een nieuwe schepping was door de geestelijke wedergeboorte door het geloof in Jezus! En hier valt dan alle onderscheid weg: zowel gelovige Joden als niet-Joden zijn een niewe schepping in God en zijn verenigd in één Kerk, één Heer, één geloof, één doop, één Heilige Geest. (Efeze 4:1-6) Nu schijnt dit alles aan Van Genderen te zijn ontgaan daar hij (en vele andere christenzionistische leiders) de nadruk op Jezus leggen als Jood. Jezus Zelf was ook een Jood, zo verkondigen zij, uit het Joodse volk, en om die reden zullen zij met Jezus aan het hoofd duizend jaren regeren over het nog komende Duizendjarige Rijk. En aangezien hier flink de nadruk wordt gelegd op de etnische afkomst van Jezus, kan hier over het christenzionistische evangelie worden gesproken als een racistisch “evangelie”! Wat zij echter niet weten (en vermoedelijk wíllen zij dit ook niet weten!) is dat de Khazariërs na hun bekering tot het Jodendom de Talmud als hun dagelijkse handleiding overnamen en tevens de zes-puntige ster als hun identificatiesymbool hadden genomen. En over dit laatste, deze ster, zullen we het hieronder hebben.
De Zes-Puntige Davidster: Geen Bijbelse Duiding.
Vrijwel iedereen is nu wel bekend met het identificatiesymbool van het huidige Israël. We vinden die vooral op de Israëlische vlag: de zes-puntige ster van David. In tegenstelling met wat vele christenzionisten zouden willen geloven, is deze ster niet van bijbelse oorsprong. De ster (ook wel bekend als Davidster, Magen David en Hexagram en samengesteld is uit twee elkaar overlappende driehoeken (triangels) is een occult symbool wat tijdens bepaalde ceremonieën werd gebruikt om er demonen mee op te roepen. Het werd tevens als een afweermiddel aangewend om er demonen mee weg te houden. Deze ster werd gebruikt door magiërs en alchemisten. Het gebruik van de zespuntige ster werd niet als een goed advies geacht maar was vereist. De magiërs waren er vast van overtuigd dat de ster de voetfdruk van een bepaalde machtige demon vertegenwoordigde. De zespuntige ster symboliseert ook de sexuele eenheid; de triangel die naar boven wijst, symboliseert het vrouwelijke (yoni); de triangel die naar beneden wijst, staat symbool voor het mannelijke (lingam). De begrippen “yoni” en “lingam” vertegenwoordigen zowel de vrouwelijke als mannelijke sexuele delen. De ster deed eveneens dienst als een communicatiemiddel tussen de levenden en de doden. Ook in de Hindoestaanse religie (Hindoeïsme) is de zespuntige ster een bekende verschijning. Daar vertegenwoordigt dit symbool de hindoestaanse dreëenheid in één: Brahma, Vishnu en Shiva. Soms wordt de ster ook afgebeeld waarbij de randen van de naar beneden wijzende driehoek zwart zijn en die van de naar boven wijzende driehoek met witte randen. De zwarte randen symboliseren de machten der duisternis (het kwaad) en de witte randen vertegenwoordigen de machten van het goede. De betekenis hiervan is dat beide in een volmaakt evenwicht worden gehouden. En zo vertegenwoordigen deze beide machten de volmaakte harmonie. De zespuntige ster is ook gelijk aan het yan en ying-symbool, een cirkel waarvan de ene helft wit en de andere helft zwart is. Hier heeft het dezelfde betekenis: om de vomaakte harmonie te verkrijgen, moeten het goede (wit) en het kwade (zwart) in balans worden gehouden. (“Masonic and Occult Symbols Illustrated”, Dr. Cathy Burns (Sharing) vijfde druk: juli 2002, blz. 39-41) Uit dit alles blijkt dat de zespuntige ster niets van doen heeft met de God van de Bijbel en het dan ook geen bijbelse duiding heeft.
“Kabbalisten zijn over het algemeen dol op symbolen en tekens dat hebben jullie inmiddels begrepen. Een belangrijk teken is b.v een driehoek met de punt naar boven en een driehoek met de punt naar beneden. Als je ze in elkaar ekent, dan zie je een “Davidsster” waarover trouwens in de Bijbel in alle talen over wordt gezwegen! Die ster duidt op een ineenschuiving van de “goddelijke” en de “duivelse” driehoek tot een evenwicht; ze horen bij elkaar. zoals licht bij donker en goed bij kwaad. In de Kabbala wordt de duivel niet gezien als de belangrijkste tegenstander van God, de Schepper. Maar als Zijn onmisbare tegenhanger, namelijk Zijn “medewerker”! In de Vrijmetselarij kom je dit soort denken tegen. Dáár hebben ze het over de goede slang uit Genesis, de Nachasj, die Eva op de idee bracht om van de boom van kennis van goed en kwaad te eten. De Nachasj staat in hoog aanzien in de V.M!” (Ruud tegen zijn kinderen, Matthijs, Mark, Luuk, John en Nympha in de roman, “De Samenzwering”, Marrie Muynck (Stichting Petra) geen datum van uitgave, blz. 30)
Zoals uit het citaat hierboven uit de roman waarvan het verhaal zelf weliswaar verzonnen is maar wel op historische gebeurtenissen berust, te lezen is, speelt de Davidsster tevens een belangrijke rol in de Vrijmetselarij. En hier wordt ook de Kabbala (Cabala, Qabala) genoemd. De Kabbala is een onderdeel van de Joodse Talmud, een lijvig werk bestaande uit vele delen. Het is van belang er op te wijzen dat vele lieve Joodse medemensen hier onbekend mee zijn; zij zijn er niet van op de hoogte dat de rabbijnen (rabbi’s) de Talmud het hoogste gezag in het Judaïsme toekennen, hoger dan het Oude Testament zelf. De Vrijmetselarij is volkomen op Joodse principes gevestigd en kan om die reden dan ook slechts als een Joodse orde worden beschouwd.
Israëlische Presidenten & Premiers: Lid van de Orde der Vrijmetselaars 1948 – 2008.
Naast vele staatshoofden van andere landen zijn er ook Israëlische machthebber die lid zijn (of waren, daar die inmiddels al overleden zijn zoals o.a. Shimon Pers) van de orde der Vrijmetselaars:
David Ben-Gurion, Moshe Sharret, Levi Eshkol, Yigal Allon, Golda Meir, Yitzhak Rabin, Shimon Peres, Menachem Begin, Yitzhak Shamir, Benjamin Netanyahu (de huidige premier van Israël), Ehud Barak, Ariel Sharon, Ehud Olmert.
Deze lijst van Israëlische bewindslieden als Vrijmetselaars gaat hier slechts van 1948 tot 2008 en behelst slechts dertien Israëlische bewindslieden. Maar ook de hoogste militaire leiders als andere prominente Israëli’s maken deel uit van deze orde. Zij geloven niet in de God van de Bijbel, maar in de “Opperbouwmeester van het Heelal.” Maar eigenlijk is dit Lucifer (wiens nam later “Satan” werd. We hbben hier er dit over gevonden:
“De apostel Paulus vertelt ons dat Satan zich vermomt als een engel des lichts:
“En dit is geen wonder, want Satan transformeert zichzelf in een engel des lichts.” (2 Corinthiërs 11:14)
“Hierbij beloof ik de Grote Geest Lucifer, de heerser der demonen, dat ik hem zoals het hem moge behagen, ieder jaar een levende ziel zal brengen, en in ruil belooft Lucifer mij de schatten der aarde te schenken en voor de duur van mijn natuurlijke leven al mijn verlangens zal vervullen. Als ik faal hem elk jaar het boven aangegeven offer te brengen, dan zal mijn eigen ziel aan hem verbeurd zijn.” (de hoge Vrijmetselaar, Manly Palmer Hall; een dergelijk pact met de duivel (die hier door Hall als de “Grote Geest” werd beschouwd) werd altijd met het bloed van de kandidaat ondertekend)
“Wat is meer absurd en oneerbiedig dan de naam Lucifer aan de duivel toe te schrijven, dat is, aan het gepersonificeerde kwaad? De intellectuele Lucifer is de geest van intelligentie en liefde; hij is de parakleet (een pleitbezorger); het is de Heilige Geest; waar de fysieke Lucifer de grote engel van het universele magnetisme is.” (de Vrijmetselaar, Eliphas Levi).
“Eerste bezwering gericht tot koning Lucifer. Koning Lucifer, mmester en heerser der rebelse geesten. Ik vermaan u uw woonplaats, in welk deel van de wereld die ook gelegen is, te verlaten, hier te komen om met mij te communiceren.” (Arthur Edward Waite, Vrijmetselaar 33e graad)
“Wat we tot de massa’s moeten zeggen is, wij aanbidden een God, maar het is een God die men zonder bijgeloof vereert. Tot u, Soevereine en eerbiedwaardige Inspecteur-Generaal zeggen we opdat u dit kunt herhalen tegenover de broederen van de 32e, 31e en de 39e graad, dit: De Maçonische religie moet door ons, alle ingewijden der hoge graden, in de zuiverheid der Luciferiaanse doctrine worden gehandhaafd. Als Lucifer niet God zou zijn, zou Adonay wiens daden zijn wreedheid, verdorvenheid en haat voor de mensheid, barbarij en afkeer van de wetenschap bewijzen, zouden Adonay en zijn priesters hem dan belasteren? Ja, Lucifer is God en jammer genoeg is ook Adonay God. Want de eeuwige wet is dat er geen licht zonder schaduw, geen schoonheid zonder lelijkheid, geen wit zonder zwart,want het volmaakte kan slechts bestaan uit twee goden: Duisternis wat noodzakelijk is voor het beeld en de rem van de locomotief. Aldus is de doctrine van het Satanisme een ketterij; en de wáre, zuivere filosofische religie is het geloof in Lucifer, de gelijke van Adonay; maar Lucifer, God van het licht en het goede, strijdt voor de mensheid tegen Adonay, de God van duisternis en kwaad.” (de Vrijmetselaar, Albert Pike, tijdens zijn “Instructies tegenover de 23 raadsvergaderingen der wereld” (14 juli 1889), zoals opgetekend door Abel Clarin de La Rive, in “La Femme et l’Enfant dans la Franc-maçonnerie Universelle”, (1894), blz. 588) https://amazingdiscoveries.org/S-deception-Freemason_Lucifer_Albert_Pike/
“Eeuwige Wet “Licht zonder Schaduw” ook in het Yin Yang-Symbool & “Davidsster.”
Nu hebben we hier de woorden over “de eeuwige wet” van “licht zonder schaduw” etc. neergeschreven in vette letters. En dit hebben we bewust gedaan. Want deze zgn. “eeuwige wet”, komen we ook weer tegen in het yin yang-symbool. Het is een cirkel waar een krommende lijn door een wit en zwart halfrond loopt. De witte halve cirkel vertegenwoordigt het licht, de zwarte halve cirkel vertegenwoordigt de duisternis. Het yin yang-symbool is dus eigenlijk niets anders dan dat wat Albert Pike over die “eeuwige wet” vertelde. Maar die zelfde “wet” wordt ook weer op synbolische wijze weergegeven in de zgn. “Ster van David” die we nu al voor lange tijd op de vlag van het huidige Israël zien. Het gaat hier dan om twee elkaar overlappende triangles, die dan samen deze ster vormen. De ene triangle (of driehoek) is “wit” en de andere die de eerste overlapt, is “zwart.” De zwarte triangle symboliseert in de Vrijmetselarij “Adonay” ofwel de God van de Bijbel, tegen Wie Lucifer als de zgn. God van het licht en het goede” ten gunste van de mensheid te strijden heeft! En zo zien we hoe er in Israël wérkelijk over de God van de Bijbel (Christus Jezus) wordt gedacht! Hieronder leggen we uit dat die occulte Davidsster weliswaar in de Bijbel voorkomt, maar eigenlijk een ongunstige, duistere betekenis heeft en uit het oude Egypte waaruit het oude volk Israël eeens door God via Mozes uitgeleid werd.
De Zespuntige Ster: Geen Bijbelse Duiding, maar … wél in de Bijbel.
Zoals hiervoor al aangegeven, is er nergens in de Bijbel iets over de zespuntige ster in de Bijbel te vinden waardoor die een bijbelse duiding zou hebben. Maar … die blijkt echter wél in de Bijbel te vinden te zijn en wel in de volgende passages waar God het volk Israël haar afgoderij verwijt:
“Hebt u Mij slachtoffers en graanoffers gebracht in de woestijn, veertig jaar lang, huis van Israël? U hebt Sikkut, uw koning, rondgedragen, en Kewan, uw beelden, de sterren, uw goden, die u voor uzelf hebt gemaakt.” (Amos 5:25-26)
En in Handelingen 7 lezen we dat wanneer de apostel, Stefanus, voor het Sanhedrin verantwoording aflegt waarbij hij voor de Raad de geschiedenis van Israël onder het Oude Verbond verhaalt, o.a het volgende zei:
“Onze vaderen wilden hem” (Mozes) “niet gehoorzamen, maar verwierpen hem en keerden in hun hart terug naar Egypte; en zij zeiden tegen Aäron: Maak voor ons goden die vóór ons uit zullen gaan, want wat die Mozes betreft, die ons uit het land Egypte geleid heeft, wij weten niet wat er met hem gebeurd is. En zij maakten in die dagen een kalf en brachten een offer aan die afgod, en zij waren verblijd over de werken van hun handen. En God keerde Zich af en gaf hen over om het hemelleger te dienen, zoals er geschreven is in het boek van de Profeten: Hebt u de veertig jaar in de woestijn ook slachtoffers en offers aan Mij gebracht, huis van Israël? Ja, u hebt de tent van Moloch meegedragen en de ster van uw god Remfan, de afbeeldingen die u gemaakt hebt om ze te aanbidden.” (Handelingen 7:39-43)
In deze laatste verzen citeerde Stefanus de verzen uit het boek Amos. Wat het maken van het kalf door de Israëlieten betreft, verwees Stefanus ongetwijfeld naar Exodus 32. Mozes bevond zich toen op de berg, Sinaï, waar hij instructies van God kreeg over de levenswandel die het volk overeenkomstig Zijn geboden moest gaan onderhouden. Na teruggekeerd te zijn, moest Mozes het volk Israël deze wetten voorhouden om die te doen. Maar Mozes bleef naar de mening van het volk te lang weg en het wist niet wat er in de tussentijd met hem gebeurd kon zijn:
“Toen het volk zag dat het lang duurde voor Mozes van de berg afdaalde, kwam het volk bijeen bij Aäron, en zij zeiden tegen hem: Sta op, maak voor ons goden die vóór ons uitgaan, want die Mozes, de man die ons uit het land Egypte heeft geleid – wij weten niet wat er met hem gebeurd is.” (Exodus 32:1)
In de laatste passsages (Hand. 42-43) zien we dat het de god, Remfan, was die door de oude Israëlieten in de vorm van de zespuntige ster werd vereerd. En Israël had deze god niet uit zichzelf bedacht; Remfan was een der heidense goden uit het oude Egypte! Al toen het zich nog in het slavenhuis van Egypte bevond, dreigde God Israël te willen vernietigen daar het de Egyptische afgoden (waaronder Remfan) niet prijs wilde geven. Ook daarna toen het volk Israël zich na bevrijd te zijn uit Egypte, in de woestijn bevond dreigde God het met vernietiging. Maar omwille van Zijn heilige Naam deed God dit niet. (Ezechiël 20:5-22)
Konig Achab vs. de Profeet Micha.
En hier komen we dan bij een geschiedenis uit het Oude Testament. Het was in de tijd dat Israël al verdeeld was in het Noordelijke Koninkrijk (de Tien Stammen, Israël genaamd), en het Zuidelijke Koninkrijk (de stammen Juda en Benjamin). Deze verdeeldheid was ontstaan vanwege de zonde van de afval van God en van zijn afgoderij van Salomo, de derde koning over wat vóórdat hij van de geboden van God af zou wijken, nog één koninkrijk was. (zie 1 Koningen 11 en 12:1-24) Het gaat hier dan over Josafat, koning van Juda en Achab, koning van Israël. Josafat die door God inmiddels gezegend was met veel rijdom en voorspoed, verzwagerde zich vervolgens met Achab. En na een bepaalde tijd daarna moet hij gedacht hebben dat er nu een gunstige gelegenheid was om zijn zwager in Israël te gaan bezoeken. Nadat hij er gearriveerd was, liet Achab vele runderen slachten en offeren (wat mogelijk gepaard ging met een feestelijk banket). En dat deed hij niet voor niets; achter de feestelijkheden die Achab er hield, lag een zeker motief verborgen. Want mogelijk al vóór het bezoek van Josafat had hij zijn gedachten erop gezet om het gebied Ramoth in Gilead (wat door de Assyriërs eerder op Israël veroverd was) met militair geweld weer terug te winnen:
“Achab, de koning van Israël, zei tegen koning Josafat van Juda: Wilt u met mij heengaan naar Ramoth in Gilead? En hij zei tegen hem: Ik ben als u, mijn volk is als uw volk: wij gaan met u mee in de strijd.” (2 Kronieken 18:3)
Ziet u, doordat hij zich daarvoor met Achab verzwagerd had en hij tijdens zijn latere bezoek aan Achab hem door middel van een overvloedig feestmaal wilde verleiden om met hem ten strijde te trekken tegen Ramoth, was het moeilijk voor Josafat om “Nee”, tegen zijn zwager te zeggen. Aldus zei hij tegen Achab dat er geen verschil was tussen hem en de Israëlische vorst was. Het probleem met Achab echter, was dat hoewel hij beleed in God te geloven, hij er een leven op nahield wat totaal niet met zijn belijdenis overeen kwam. Met Josafat was dit echter ánders gesteld; om die reden had hij zich nooit via huwelijk met Achab moeten verzwageren! Maar hij was hoewel oprecht tevens ook zeer naïef. Nochtans had hij de tegenwoordigheid van geest om eerst, vóórdat hij damen met Achab ten strijde zou trekken, God te raadplegen wat in die tijd gebeurde door Zijn vertegenwoordigers, de profeten. En zo liet Achab vierhonderd mannen, allen profeten, komen aan wie hij de vraag stelde of hij er juist aan deed, samen met Josafat ten strijde te trekken. En die hadden allen maar één ding te zeggen:
“Trek op, want God zal het in de hand van de koning geven.”
Nadat Josafat deze profeten enige tijd had aangehoord, moet hij gedacht hebben dat er toch ergens ieys niet in orde was; ál die mannen hadden zónder enige onderscheid slechts iets positiefs te zeggen. En dat vond hij vreemd. Om die reden vroeg de koning van Juda of er mogelijkerwijze nog niet een profeet zou kunnen zijn. (verzen 4-6) Maar,
“Toen zei de koning van Israël tegen Josafat: Er is nog één man om door hem de HEERE te raadplegen, maar ik haat hem, want hij profeteert niets goeds over mij, maar altijd onheil.” Dat is Micha, de zoon van Jimla. Josafat zei: zo moet de koning niet spreken!” (vers 7)
Daarop geeft Achab een bode Micha te gaan halen. Die had Achab maar gevangen laten zetten vanwege diens “onheilsprofetieën.” En terwijl de vierhonderd profeten de ene na de andere positieve profetie over Achab uitspraken, was de bode intussen bij de cel van Micha aangekomen. En de boodschapper had een goede raad voor de profeet, een raad die áls Micha die op zou volgen, een goede plaats onder de vierhonderd mannen zou bezorgen:
“Zie, de woorden van de profeten zijn eenstemmig in het voordeel van de koning. Laat toch uw woord als dat van een van hen zijn, en spreek het goede.” (vers 12)
Maar Micha vertelt de bode van wat hij werkelijk zal gaan doen:
“Maar Micha zei: Zo waar de HEERE leeft, wat mijn God zegt, dat zal ik spreken.”
Waarmee hij aangaf dat al die vierhonderd profeten eigenlijk bedriegers en mensenbehagers waren die er slechts op uit waren, in de gunst van Achab te blijven. Nadat Micha eenmaal voor Achab is gebracht en deze hem dezelfde vraag stelt als die hij eerder aan de vierhonderd profeten stelde, antwoordt hij schertsend en spottend dat de koning maar op moet trekken; God zal het te veroveren gebied zeker in zijn bezit geven! Achab merkt de spot en vraagt Micha hoelang hij hem nog moet bezweren, alleen de waarheid in de Naam van God te vertellen. Dan vertelt Mcha hem dat hij (in een visioen) had gezien dat het volk van Israël verstrooid en zónder leiding was. God had vervolgens tegen Micha gezegd dat dit volk eigenlijk geen heer hadden waarmee hij aangaf dat het geen goede koning als leider had en dat ieder van het volk maar naar huis terug moest keren. Kortom: Achab had het volk verwaarloosd. En bij het horen van de woorden van Micha wordt hij boos:
“Toen zei de koning van Israël tegen Josafat: Heb ik niet tegen u gezegd: Hij zal over mij niets goeds profeteren, alleen maar onheil?’ Verzen 12-17)
Vervolgens vertelt Micha dat hij van godswege een visioen heeft gezien waarin God een valse geest naar de vierhonderd mannen had gezonden die Achab ertoe moest verleiden tot de opmars naar en strijd in Ramoth over te gaan. En,
“Welnu, zie, de HEERE heeft een leugengeest in de mond van deze profeten van u gegeven, en de HEERE heeft onheil over u uitgesproken.”
Dan nadat Micha van een der profeten een slag in het gezicht te hebben gekregen, geeft Achab oodracht Micha terug nar Amon, het hoofd van de stad waar Micha gevangen zit te brengen totdat hij na de strijd in vrede terug zal keren. Maar,
“Maar Micha zei: Als u echt in vrede terugkeert, heeft de HEERE door mij niet gesproken!” (verzen 18-27)
Aldus trekken zowel Achab als Josafat ieder met hun eigen leger gezamelijk op naar het aanstaande slagveld. Onderweg echter, moet Achab hebben gedacht dat de profetie van Micha desondanks alles misschien toch bewaarheid zou kunnen worden. Aldus besloot hij het volgende: hijzelf zou zijn koninklijk gewaad afleggen, zich als een van zijn vele soldaten kleden en Joafat moest dan zijn gewaad aanhouden. Dit was eigenlijk een sluwe en gemene list van hem; waarschijnlijk vermoedde dat als de strijd eenmaal begonnen zou zijn, het leger van de tegenpartij het het eerst op hém voorzien zou hebben. Om dit nu te voorkomen had Achab het goed gedacht dat zijn zwager zijn koninklijke kledij maar aan zou houden. Mocht de vijand dan toch eerst achter de aanvoeder, de koning, aangaan, dan zou die hém in ieder geval niet vinden vermomd als hij was als een van zijn eigen soldaten! De aandacht zou natuurlijk dan het eerst uitgaan naar degene die als enige in koninklijke kledij gekleed was. En de enige was natuurlijk Josafat zélf! De zwager van de koning van Juda bleek dus nu niet bepaald een betrouwbaar en zorgzaam familielid te zijn! Die wilde zijn zwager uit Juda opofferen opdat hijzelf het er levend af zou brengen. Maar dat zou achteraf niet gebeuren zoals we hieronder zullen zien. En Achab had er niet naast gezeten; de koning van Syrië had de bevelvoerders van zijn strijdwagens opdracht gegeven om slechts tegen de koning van Israël alléén te strijden. Als die eenmaal gedood of gevangengenomen zou zijn, zou dit een enorme demoraliserende impact op zijn leger hebben; de overwinning van het Syrische leger op dat van Israël zou dan nog een kwestie van korte tijd zijn. Nadat de strijd eenmaal begonnen was, deden de bevelvoerders van de strijdwagens van Syrië dát wat hen opgedragen was; zij naderen de strijdwagen van Josafat, onsingelen die om met hem het gevecht an te gaan. Josafat roept het echter uit tot God. Wanneer de bevelhebbers zien dat hij niet de koning van Israël is, wenden zij zich van hem af. Een boogschutter echter schoot (waarschijnlijk tijdens een korte rustpauze aan zijn kant van het front) willekeurig een pijl af die Achab trof, waardoor hij dodelijk gewond raakte. Het Israëlitische leger lleed de nederlaag en tegen de avond overleed Achab aan zijn verwondingen. (verzen 28-434)
Koning Josafat vs. Jehu (en God).
Hoe het leger van Josafat het ervan afgebracht had, is niet uit deze geschiedenis op te maken. De koning zelf keerde in tegenstelling met Achab die zoals al gezegd om het leven gekomen was tijdens de strijd, in vrede naar Jeruzalem terug. Maar dan komt de ziener, Jehu, hem tegemoet met een boodschap van de HEER:
“Moest u de goddeloze helpen en zij die de HEERE haten, liefhebben? Hierom rust op u grote toorn van voor het aangezicht van de HEERE.” (2 Kronieken 19:1-2)
Ziet u, net zoals koning Josafat in zijn tijd de grote fout maakte, zich en zijn leger gelijk te stellen met een goddeloze Israëlsiche koning en diens leger, zijn het vandaag de dag de christenzionisten, die (in bepaalde mate althans), hetzélde doen. Het enige verschil is dat de laatsten geen koningen in de letterlijke zin zijn en ook geen militair leger hebben. Zij stellen zich als de wáre uitverkorenen op naast een goddeloos Israël waarvan zoals al gezegd, de premiers van Israël Vrijmetselaars waren (maar nu intussen overleden zijn) en die het nú zijn (zoals de huidige premier, Benjamin Netanyahu). Als zij na het lezen van het hier bovenstaande nog steeds mochten denken dat zij door dit Israël te zegenen, de God van de Bijbel een dienst denken kunnen te bewijzen, dan zijn zij vérder van de realiteit verwijderd dan ooit tevoren; nee, net zoals God toornig was op Josafat vanwege zijn steun aan de goddeloze Achab en Israël in zijn dagen, zo is God nu ook zeer toornig op dát deel van de huidige kerken (charismatisch, gereformeerd, hervormd, protestant) waar men meent er een een “onverbrekelijke band met Israël” zou hebben! Maar hier waar Kerk en Israël elkaar op deze wijze overlappen, zien we dit natuurlijk ook weer gesymboliseerd weer terug in die “Davidsster.” Volgens de vrijmetselaarssymboliek strijd Lucifer als de “God van het Licht” tegen Adonay als de “God van Duisternis.” Maar die “Lucifer” is niemand minder dan Satan, de tegenstander van God en daarmee ook Zijn Kerk. Want Jezus en de Kerk, Zijn symbolische “Lichaam”, kunnen in der eeuwigheid niet van elkaar worden gescheiden of los van elkaar worden gezien:
“En Hij” (God) “heeft alle dingen aan Zijn voeten onderworpen en heeft Hem” Jezus, God de Zoon). “als Hoofd over alle dingen gegeven aan de gemeente, die Zijn lichaam is en de vervulling van Hem die alles in allen vervult.” (Efeziërs 1:22:23)
En in Efeziërs 4:4-6 spreekt Paulus over de gemeente, de Heilige Geest en God als,
“één lichaam en één Geest, zoals u ook geroepen bent tot één hoop van uw roeping, één Heere, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, Die boven allen en door allen en in u allen is.”
En dit wil weer zeggen, dat er slechts één Kerk, één Heilige Geest, één Heere (ofwel Christus Jezus), één God de Vader en één geloof is. Wat de gemeente betreft, is er dan ook máár één uiverkoren volk. Maar als we de christenzionistische leer mogen geloven, heeft God twee uitverkoren volken: De Kerk én Israël. Maar zoals we gezien hebben, leert de Bijbel dit niet. Maar … wat is er nu wérkelijk gebeurd dat men er binnen het christenzionisme naast de Kerk ook het volk Israël als “mede-uitverkorene” is gaan beschouwen? De waarheid is nl. dat met de komst van John Nelson Darby en dePlymouth Brethren en vervolgens Cyrus Ingersol Scofield met zijn “Scofield Reference Bible”, in de 18e eeuw, het christenzionisme vanaf die tijd geleidelijk aan eerst de kerken in Europa en daarna die in Amerika begon binnen te dringen. Vóór die tijd was het de overheersende visie dat alleen de Kerk het uitverkoren volk van God was. Maar met de opkomst van de genoemde mannen begon dit geleidelijk aan te veranderen. Het christenzioinsme drong er de kerken geleidelijk aan binnen en zo is de onbijbelse theorie over het volk Israël als “mede-uitverkoren volk van God” naast de Kerk ontstaan. Maar wat er nu wérkelijk gebeurde, was dit: Geleidelijk aan begon het Joodse volk (want in de 18e eeuw wás er nog geen sprake van Israël als staat), als de symbolische “zwarte triangle” de “witte triangle” te overlappen! “Geen licht zonder schaduw, geen schoonheid zonder lelijkheid, geen wit zonder zwart” zo vertelde Albert Pike destijds de maçonische raadsvergaderingen. Hier zien we dat zowel licht als duisternis elkaar overlappen en tot één geworden zijn. En toch sluiten Lucifer en Adonay elkaar als elkaars tegenstanders ook weer uit. En kijk een naar Lucifer als “schoonheid” en Adonay als “lelijkheid” zoals dit door Pike verwoord werd. Dit zien we heden te dage ook weer terug in de christenzionistissche religie: de Kerk wordt er voortdurend in zwartgemaakt (“lelijk gemaakt”) ten gunste van Israël als “schoonheid.” En dit vanwege het “christelijke” (of “kerkelijke”) anti-Semitisme waar die zich in het verleden aan schuldig gemaakt zou hebben! Israël echter, wordt hierbij onophoudelijk als “onschuldig slachtoffer” weergegeven. En het is trouwens onbewust en te goeder trouw dat de meerderheid van de christenzionisten dit doen, onwetend als zij zijn over de wáre achtergrond van wat Pike er over “schoonheid” en “lelijkheid” ooit eens onthulde. Het zijn echter de hoge leiders van het christenzionsime die eigenlijk hoge Vrijmetselaars zijn, die er vanuit de kerken de strijd van Lucifer tegen Adonay voeren. Een van het is Tim Lahay, in de jaren ’90 bekend geworden vanwege zijn boekenreeks, “Left Behind.” Over hem en over de occulte symbolen en de Tempelridders kunt u hier terecht: https://watch-unto-prayer.org/lahaye.html
De Talmud: Dagelijkse Leidraad der Rabbijnen, de Geestelijke Telgen der Farizeeërs.
Zou men aan een christenzionist vragen wat heden te dage het belangrijkste en heiligste boek binnen het Judaïsme is dan zal men steevast het antwoord krijgen, “wel, dat is het Oude Testament.” De christenzionisten zijn nl. van mening dat het Oude Testament de dagelijkse handleiding voor de rabbijnen is. Daarnaast zijn de rabbijnen de huidige moderne telgen van de oude Farizeeërs. Dat zij dit niet weten kan deels worden verklaard door het feit dat dit zowat voor eenieder verborgen was gehouden. En aan de andere kant kan de onbekendheid van de christenzionisten met deze feiten deels worden verklaard dat zij door hun sektarische geloofsovertuiging waarin Israël en het Joodse volk de hoofdrol spelen, ervan worden weerhouden om eens de moeite te nemen de ware feiten over wat de Talmud wérkelijk over Jezus leert, op het internet eens na te gaan. Zij menen nl. dat die websites waar de waarheid over de rabbijnen en de Talmud wordt verkondigd, slechts “uitingen van anti-Semitisme” zouden zijn. Om die reden alleen al worden die door hen gemeden. Maar daar worden juist de rabbijnen en hun Talmud ontmaskerd. Hier is bijvoorbeeld een videoclip waar Steven Anderson van de Faithful Word Baptist Curch vertelt wat de Talmud over Jezus leert; Hij zou nu in de hel zijn waar Hij gekookt wordt in hete uitwerpselen, een straf die Hij verdiend zou hebben omdat Hij tijdens Zijn bediening in Israël de Farizeeën (de verre geestelijke voorvaderen der huidige rabbijnen) zo tegenstond. https://www.youtube.com/watch?v=AGH1b-h_6-Y (“Creepy Passage in the Talmud about Jesus”)
Farizeeën Geloofden niet in het Oude Testament.
Al tijdens Zijn bediening liet Jezus blijken dat de Farizeeën niet in het Oud Testament (de eerste vijf boeken van Mozes: Genesis tot Deuteronomium) geloofden:
“Denk niet dat Ik u zal aanklagen bij de Vader; die u aanklaagt, is Mozes, op wie u uw hoop gevestigd hebt. Want als u Mozes geloofde, zou u Mij geloven; want hij heeft over Mij geschreven. Maar als u zijn Geschriften niet gelooft, hoe zult u Mijn woorden geloven?” (Johannes 5:45-47)
En met de huidige rabbijnen is dit niet anders gesteld. En dit betekent dan ook dat zij, net als hun verre geestelijke voorvaderen toen, deze boeken dan ook niet als goddelijk geïnspireerd beschouwen. En hieruit vloeit weer uit dat zij dan ook niet in de ware God van de Bijbel geloven. Zouden zij nu wérkelijk het Oude Testament als door God geïnspireerd aanvaard en ook als zodanig hebben gelezen en bestudeerd, dan kán het niet anders of zij zouden Jezus als de wáre Messias hebben herkend, erkend en ook als zodanig hebben gevolgd! Nu geloofden de Farizeeën ook weer wél in het Oude Testament maar die lazen die door de lens van de Talmud. Dus níet zoals dat gelezen zou móeten worden door er de juiste betekenis van de verzen zoals die er staan, van te geven. De uitleg die er volgens de Talmud aan gegeven werd, was gebaseerd op de vele commentaren van niet-christelijke rabbijnen. Om die reden bleef het ware karakter van Jezus de Messias voor hen dan ook verborgen; hadden zij het Oude Testament betreffende de profetieën aangaande Jezus nu gewoon gelezen zoals die er staan, dan zou het niet anders kunnen dat zij Jezus als hun Messias herkend (en erkend) zouden moeten hebben! En het is nu dit, wat Jezus hen dan ook duidelijk maakte! De Talmud zoals die later vérder zou worden uitgebreid, was eigenlijk gebaseerd op de “Overlevering der Ouden” zoals we hieronder nu zullen gaan zien.
Jezus & de Overlevering der Ouden.
Als de Farizeeën dan niet in de Pentateuch (de eerste vijf boeken van Mozes) geloofden, wat geloofden zij dan wél? Daar komen we achter wanneer Jezus weer eens wordt geconfronteerd met de Farizeeën inzake de overlevering der Ouden:
“Toen kwamen enige schriftgeleerden en Farizeeën uit Jeruzalem bij Jezus en zeiden: Waarom overtreden Uw discipelen de overlevering van de ouden? Want zij wassen hun handen niet als zij brood gaan eten. Maar Hij antwoordde en zei tegen hen: Waarom overtreedt ook u het gebod van God door uw overlevering? God heeft immers geboden: Eer uw vader en moeder, en: Wie vader of moeder vervloekt, moet zeker sterven. Maar u zegt: Wie maar tegen vader of moeder zegt: Het is bestemd als offergave, wat u van mij had kunnen krijgen, en zijn vader en moeder niet zal eren, met hem is het in orde. En zo hebt u door uw overlevering het gebod van God krachteloos gemaakt. Huichelaars! Terecht heeft Jesaja over u geprofeteerd, toen hij zei: Dit volk nadert tot Mij met hun mond en eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich ver bij Mij vandaan; maar tevergeefs eren zij Mij, omdat zij leringen onderwijzen die geboden van mensen zijn.” (Mattheüs 15:1-9)
De strekking zal misschien duidelijk zijn; als iemand geld had wat hij zou kunnen besteden aan zijn ouders (die op dat moment in hulpbehoeftige omstandigheden zouden kunnen verkeren) en hij tegen hen zou zeggen dat hij het in plaats daarvan als een offergave apart had gezet, dan vonden de schriftgeleerden en Farizeeën dit meer dan geweldig! Ten tweede blijkt uit hetgeen Jezus hen zei, dat dit al bij de religieuze leiders in Oud-Testamentische tijden de gewoonte bleek te zijn aangezien Hij naar de Oud-Testamentische profeet, Jesaja, verwijst. In Mattheüs 23 houdt Jezus een strenge strafrede tegen de Farizeeën:
“Maar wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, want u sluit het Koninkrijk der hemelen voor de mensen; u gaat er immers zelf niet binnen, en hen die er naar binnen willen gaan, laat u er niet binnengaan.” (vers 13)
Dat zal uiteraard niet vreemd zijn daar zij de ware bijbelse leer hadden vervangen voor hun menselijke tradities.
“Wee u, schriftgeleerden en Farizeeërs, huichelaars, want u eet de huizen van de weduwen op, en voor de schijn bidt u lang; daarom zult u een des te zwaarder oordeel ontvangen.” (vers 14)
Met het “opeten” van de huizen van vrouwen die hun man hadden verloren (weduwen dus), bedoelde Jezus waarschijnlijk te zeggen dat de schriftgeleerden en Farizeeën zich die huizen wederrechtelijk hadden toe-geëigend; wat er vervolgens met die weduwen zou gebeuren, zal hen volkomen onverschillig hebben gelaten!
“Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, want u reist zee en land af om één proseliet” (Jodengenoot, bekeerling) “te maken, en als hij het geworden is, maakt u hem een kind van de hel, dubbel zo erg als u.” (vers 15)
Hierboven hebben we al het een en ander over de bekering der Khazariërs tot het Judaïsme verteld. Die werden toen “dubbel zo erg” als de Joden die hen hadden bekeerd, al waren! En als we heden te dage zien hoe de Israëlische leiders (zowel de religieuze, militaire als de politieke) de Palestijnen behandelen, zijn zij vandaag tienmaal zo erg als hun verre voorvaderen!
“Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, want u bent als de witgepleisterde graven, die van buiten wel mooi lijken, maar van binnen zijn ze vol doodsbeenderen en allerlei onreinheid. Zo lijkt u ook wel van buiten rechtvaardig voor de mensen, maar van binnen bent u vol huichelarij en wetteloosheid.” (verzen 27-28)
Zij kwamen voor de mensen over als eerbare en onkreukbare mannen; van binnen echter waren deze schriftgeleerden en Farizeeën vervuld met huichelarij en goddeloosheid. Dit is ook heden te dage het geval en vnl. de christenzionisten beschouwen hen als zó heilig dat zij volgens hen wel het volk Gods móeten zijn!
“Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, want u bouwt de graven voor de profeten en versiert de grafmonumenten van de rechtvaardigen, en u zegt: Als wij in de tijd van onze vaderen hadden geleefd, hadden wij niet met hen meegewerkt om het bloed van de profeten te vergieten. Aldus getuigt u tegen uzelf, dat u kinderen bent van hen die de profeten gedood hebben. Maakt ook u dan de maat van uw vaderen vol! Slangen, adderengebroed, hoe zou u aan de veroordeling tot de hel ontkomen?” (verzen 29-33)
Jezus verweet de schriftgeleerden en Farizeeën dat daar zij de graven en grafmonumenten der Oud-Testamentische profeten bouwden en sierden, zij zo lieten blijken de zonen van de moordenaars dezer profeten te zijn. Dat zij beweerden niet te hebben meegewerkt met hun vaderen aan de dood van de profeten als zij in hun tijd geleefd zouden hebben, bleek slechts schijn; in Johannes 8:37 zei Jezus dit tegen de Joden:
“Ik weet dat u Abrahams nageslacht bent, maar u probeert Mij te doden, omdat Mijn woord in u geen plaats krijgt.”
En zoals hun vaderen met de profeten hadden gedaan, zo wilden hun nakomelingen dit ook met Jezus doen. En zij slaagden er uiteindelijk inderdaad in, Hem aan het kruis te krijgen door de Romeinse overheid onder Pontius Pilatus hiervoor te manipuleren. Verder onkende Jezus niet dat zij de natuurlijke telgen van de aartsvader, Abraham, waren. En dit is nu de grote fout die de christenzionisten maken; zij menen dat als iemad een verre nakomeling van Abraham is, hij metterdaad ook een “uitverlorene Gods” is. Diezelfde fout maakten destijds vele Sadduceeën (een Joodse sekte die in tegenstelling met de Farizeeën het hiernamaals en geestelijke manifestaties zoals engelen ontkenden) en Farizeeën die naar Johannes de Doper kwamen om ook door hem gedoopt te worden:
“Toen hij vele van de Farizeeën en Sadduceeën op zijn doop zag afkomen, zei hij tegen hen: Adderengebroed! Wie heeft u laten weten dat u moet vluchten voor de komende toorn? Breng dan vruchten voort in overeenstemming met de bekering, en denk niet dat u bij uzelf kunt zeggen: Wij hebben Abraham als vader; want ik zeg u dat God zelfs uit deze stenen voor Abraham kinderen kan verwekken. De bijl ligt zelfs al aan de wortel van de bomen; elke boom dan die geen goede vrucht voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen.” (Mattheüs 3:7-10)
Het probleem met de Farizeeën en Sadduceeën was dat zij het niet nodig achtten zich van hun verkeerde levenswandel te bekeren. Zij waren immers het nageslacht van Abraham en dit was volgens hen voldoende om als “Gods volk” te worden beschouwd. En daar ook zíj zich wilden laten dopen, duidt er dan ook op dat zij zo wel berouw met hun lippen beleden maar dat zij dit niet met hun hart deden. Om die reden is de berisping die Johannes hen dan geeft, ook zo streng. Welnu, de overtuiging van de oude Saducceën en Farizeeën (nl. dat het voor hen genoeg was om als “Gods volk” te worden beschouwd daar zij de natuurlijke afstammelingen van Abraham waren), is ergens in het verleden ook het Christendom binnengeslopen. En vandaag de dag zijn er talloze christenzionisten die mensen die van zichzelf beweren nakomelingen van Abraham te zijn, hen dan ook beschouwen als leden van “Gods volk.” En er zijn er onder hen die in tegenstelling met Johannes menen dat men het Evangelie maar niet aan de Joden moet verkondigen; het Joodse volk, zo redeneert men dan, heeft al een éiegn verbond met God! En dat niet alleen; zij gaan zelfs zover dat zij het ronduit wrede Israëlische beleid tegenover de Palestijnen verdedigen en alzo rechtvaardigen. Dit is ook de houding die de vroegere Farizeeën hadden. Het gevolg is nu dat vele christenzionisten tot op zekere hoogte eenzelfde karakter hebben gekregen als de Farizeeën eens hadden! Het doldwaze artikel van Dirk van Genderen met zijn “met het minachten van Israël en de Joden vervloekt men hen al”-retoriek, is slechts één van de vele voorbeelden!
De Zeloten vs. de “Judassen.”
In het verleden zijn er vele verschillende bewegingen en groeperingen geweest, die er waren gesticht met een bepaald doel in gedachten. De stichter (of stichters) van dergelijke groepen waren tot hun besluit om een dergelijke groep te stichten gekomen omdat die (daar hun land in die tijd onder een vreemde bezettingsmacht lag bijvoorbeeld), dit van die vreemde mogendheid wilden bevrijden. Het waren dan ook een soort van verzetstrijders, die hun land vrij wilden zien te krijgen van die vreemde overheersers. En zowel de leider(s) als de aanhangers van die groepen waren dit doel dan ook volkomen toegewijd. Nu was het echter ook zo,, dat er zich onder die vele aanhangers ook een of meer mensen bevonden, die terwijl zij de bevrijding van hun land openlijk huldigden, zij er in het verborgene tegelijkertijd een andere agenda op nahielden; terwij zij openlijk deelnamen aan bevrijdingsoperaties om hun land van vreemde overheersing vrij te krijgen, waren het zij die de vreemde bezetter achter de schermen juist hun diensten verleenden. Dergelijke lieden kennen we vandaag als “Judassen, verraders dus. En die moeten er in de tijd van Jezus ook zijn geweest. Een van die groepen die er in de tijd van Jezus actief waren, waren de Zeloten. Van deze benaming zijn de termen, “ijveraars”, dwepers” en “fanatici” afgeleid. Het waren mensen die er een meer dan vurig verlangen voor koesterden om (in dit geval) hun land vrij te zien van de vreemde mgendheid waaronder het in die tijd lag. Over de Zeloten hebben we er het volgende over gevonden:
“Onder de Zeloten en hun sympathisanten leefde een hooggespannen messiasverwachting met een duidelijk militaire inslag. Zij namen grote risico’s bij het aangaan van geweldige confrontaties met de Romeinen in de vaste overtuiging, dat God elk moment zijn messias openbaar zou kunnen maken. Vele van hun leiders beschouwden zichzelf of werden door hun aanhangers beschouwd als messias-figuren. Ook schuwden sommige zelotische groeperingen niet om hun joodse tegenstanders of vermeende tegenstanders uit de weg te ruimen. Bekend is bijvoorbeeld de groep der Sikariërs, wat zoiets als ‘messenmannen’ betekent, die niet terugschrokken voor politieke moorden in eigen gelederen. Ook na de verwoestng van Jeruzalem en de tempel in 70 C. J. bleef de geest van het Zelotisme nog lange tijd het Jodendom beïnvloeden. Nog in 117 C. J. en in 132 C. J. braken er in de diaspora resp. het lenad Israël grote joodse opstanden uit tegen de Romeinen.” http://www.petervantriet/nl/article.php?articleID=137
Nu blijkt het er in dat artikel wel niet uit, maar het is niet onmogelijk dat sommige van die groepen der Zeloten díe Joodse tegenstanders om het leven hadden gebracht nadat van de laatsten vastgesteld was dat dit eigenlijk “Judassen” waren.
Christus Jezus, Judas van Iskariot & de Zeloten.
Zoals gezegd, waren er in het verleden in de tijd van Jezus vele bewegingen in Israël geweest die het land van het juk van de Romeinse bezetter wilden bevrijden. Soms kwam het echter ook voor zoals we al aangegeven hadden dat sommige van die groepen hun eigen “Judas” of “Judassen” hadden. Nu weten we uit het verslag van de Evangelieën dat er zich ook in de kleine groep van de discipelen van Jezus een “Judas” bevond: Judas Iskariot, een van Zijn volgelingen die Hem later aan de Farizeeën zou verraden. Nu, wat we hier nu gaan beschrijven, vindt u beslist niet terug in de Bijbel. Maar we zullen hier echter een theorie geven over hóe Judas op een bepaald moment bij de overige discipelen van Jezus terecht gekomen was. En die theorie gaat als volgt: het moet zonder twijfel zijn geweest dat het niet slechts het Joodse volk is geweest waaronder Jezus grote bekendheid verworven had vanwege Zijn vele wonderen en tekenen die Hij onder hen deed; ook de Zeloten (of een vergelijkbare andere groep) was dit niet ongemerkt voorbijgegaan. Het mogelijk dat de leider (of leiders) van een dergelijke groep gedacht zouden kunnen hebben dat Jezus vanwege al die wonderen die Hij er tot dan toe had verricht, hen en hun beweging in hun strijd tegen de Romeinse bezetter van nut zou kunnen zijn. Om er achter te komen of Jezus de groep hierbij goede diensten zou kunnen verlenen, zouden die leiders na overleg tot de conclusie gekomen kunnen zijn, om een van hun eigen leden er op uit te sturen opdat die hen inlichtingen zou kunnen verschaffen, Wíe of wat Jezus nu wérkelijk was. Na hier nog eens wat nader overleg over te hebben gehouden, hadden zij hun keuze gemaakt; Judas, de zoon van Iskariot, een zeer vertrouwde medestrijder van de goede zaak zou de geschikte man zijn die meer over Jezus te weten moest komen. Uit de gegevens die hij hen er later over zou geven, zou duidelijk worden of Hij al dan niet een mogelijke medestrijder aan de goede zaak zou kunnen worden. Die wonderen die Hij er deed, moeten dan ook op hén een grote indruk gemaakt hebben! Zou Jezus dan ook nog andere wonderen kunnen doen waarmee Hij in hun strijd tegen de Romeinen eventueel een nuttige aanwinst voor de groep zou kunnen zijn? En met de opdracht om dit uit te zoeken, zonden de leiders Judas erop af.
De Roeping der Discipelen door Jezus. Judas, de Zoon van Simon.
In het Evangelie naar Lukas lezen we dat Jezus er Zich onder zijn discipelen twaalf uitkoos om Hem van dienst te zijn:
“Het gebeurde in die dagen dat Hij naar buiten ging, naar de berg, om te bidden; en Hij bleef heel de nacht in gebed tot God. En toen het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen bij Zich en koos er twaalf van hen uit, die Hij ook apostelen noemde: Simon, die Hij ook Petrus noemde, en zijn broer Andreas, Jakobus en Johannes, Filippus en Bartholomeüs; Mattheüs en Thomas, Jakobus de zoon van Alfeüs, en Simon die Zelotes genoemd werd, Judas, de broer van Jakobus, en Judas Iskariot, die ook de verraders geworden is.” (Lukas 6:12-16)
Laten we ons hier nu het volgende beeld bij voorstellen: onder de vele discipelen die Jezus al volgden, was daar ook Judas Iskariot. Van al die discipelen was hij echter de enige die Hem volgden die dit middels een opdracht van zijn leidinggevenden van de verzetsgroep waartoe hij behoorde, deed. Toen hij eenmaal hoorde dat onder de overige elf uitverkorenen die Jezus zouden gaan dienen, ook híj uitgekozen werd, moet Judas Iskariot blij zijn geweest; van nu aan maakte hij deel uit van de binnenste kring van Jezus! En dit maakte dat hij Jezus van dichtbij zou kunnen beschouwen. Uit het bijbelse verslag wordt niet duidelijk of Jezus ervan op de hoogte was dat Judas Iskariot een lid van een van die militant-gezinde groepen was; vermoedelijk wist Hij hiervan af. Voor Hem was het al vanaf het begin aan duidelijk dat Judas Iskariot Hem eens zou verraden; nadat vele van Jezus’ discipelen Hem de rug toegekeerd hadden vanwege Zijn rede waarin Hij over Zichzelf als het geestelijke brood en bloed gesproken had (Johannes 6:26-66), lezen we in de verzen 67-71 het volgende
“Jezus dan zei tegen de twaalf: Wilt u ook niet weggaan? Simon Petrus dan antwoordde Hem: Heere, naar wie zullen wij heengaan? U hebt woorden van eeuwig leven. En wij hebben geloofd en erkend dat U de Christus bent, de Zoon van de levende God. Jezus antwoordde hun: Heb Ik u, de twaalf, niet uitgekozen? En een van u is een duivel. En Hij doelde op Judas Iskariot, de zoon van Simon, want die zou Hem verraden, een van de twaalf.”
Nu is het niet duidelijk of Judas de zoon van de genoemde Simon, die Zelotes genoemd werd”, ofwel Simon Iskariot, zou kunnen zijn geweest. Over Judas lezen we het volgende:
“Persoon die Jezus verraadde; zijn vader was Simon.” http://www.bijbelaantekeningen.nl/files/subject?2362
Volgens deze bron betekent Kerioth of K’riot een stad (of “steden”) Dus mocht Judas dan tóch de zoon van Simon Zelotes zijn geweest dan zouden zowel Simon als Judas uit die stad (of uit een van de steden in Israël afkomstig zijn geweest. http://www.bijbelaantekeningen.nl/files/subject?3248 We lezen er ook het volgende:
“Uit de toevoeging Islarioth “uit Kerioth” kwam hij waarschijnlijk uit een plaats in Judea en was daarmee de enige discipel van Jezus die uit Judea kwam.”
Dus was Judas onder de uitverkorenen discipelen van Jezus die Hem dienden, de enige Judeër (of om het in ons moderne spraakgebruik te stellen, “Jood”) was, terwijl de overigen dit niet waren; “niet-Judeërs” of “niet-Joden” dus. Nogmaals, we weten niet zeker of deze “Simon Zelotes” ook de vader van Judas Iskariot geweest is; het is dan ook mogelijk dat hij dit níet was. Wat Judas als een van de leden van de Zeloten (of enige andere militante groep in het oude Israël) betreft, hebben we het hier slechts over een theorie. En een theorie is dan ook iets waarvan wordt aangenomen dat iets mogelijk zou kunnen zijn, een aanname, zónder dat hier concrete bewijzen voorhanden zijn.
Judas Iskariot & zijn Teleurstelling in Jezus en Diens Prediking over Liefde en Geweldloosheid.
Het zou mogelijk geweest kunnen zijn dat Judas Iskariot in de tijd dat hij deel uitmaake van de kring van Jezus, hij er bij verschillende gelegenheden even tussenuit gegaan was om inlichtingen over Jezus aan zijn leidinggevenden van de militante groep waartoe hij behoorde, te verschaffen. Gaandeweg echter, zou Judas hoe meer hij Jezus over liefde en geweldloosheid hoorde prediken (zoals als men u op de ene wang slaat, keer hem dan ook de andere wang toe), teleurgesteld zijn; dit was nu net iets waar hij, zijn verzetsbeweging en haar leiders beslist niet achter konden staan; voor hen was het belangrijk dat de bevrijding van Israël van de Romeinse bezetter alleen gepaard kon gaan met een gewelddadige weerstand. De leiders zullen vervolgens geleidelijk aan hun interesse voor Jezus als een van hun toekomstige medestrijders verloren hebben. En dit kan tevens de mening van Judas zijn geweest. Maar Judas zou Judas niet zijn, als hij er ten voordele van zichzelf nog niet iets uit wist te halen. Intussen hadden de overpriesters en schriftgeleerden al besloten, Jezus om te brengen. Zij wisten echter nog niet, hóe zij dit zouden kunnen doen. Maar daar zou verandering in komen. Zij zouden er om hun samenzwering tegen Jezus te laten slagen, er een geschikte bondgenoot bij krijgen:
“Het feest van de ongezuurde broden, dat Pascha heet, was nabij. En de overpriesters en de schriftgeleerden zochten naar een manier om Hem om te brengen, want zij waren bevreesd voor het volk.” (Lukas 22:1-2)
Zo ongeveer diezelfde tijd hield Jezus met Zijn discipelen in Jeruzalem het avondmaal wat we nu kennen als het “Laatste Avondmaal.” En Hij had voor hen een belangrijke mededeling:
“Toen Jezus deze dingen gezegd had, raakte Zijn geest in beroering, en Hij getuigde en zei: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u dat een van u Mij zal verraden. De discipelen dan keken elkaar aan, in twijfel over wie Hij dat zei. En een van Zijn discipelen die Jezus liefhad, lag aan in de schoot van Jezus. Simon Petrus dan wenkte deze, dat hij vragen zou wie het toch zou kunnen zijn, over wie Hij sprak. En deze ging tegen Jezus’ borst liggen en zei tegen Hem: Heere, wie is het? Jezus antwoordde: Die is het aan wie Ik het stuk brood zal geven, nadat Ik het ingedoopt heb. En toen Hij het stuk brood ingedoopt had, gaf Hij het aan Judas Iskariot, de zoon van Simon. En met het nemen van het stuk brood voer de satan in hem. Jezus dan zei tegen Hem: Wat u wilt doen, doe het snel. En niemand van hen die aanlagen, begreep met welke bedoeling Hij dat tegen hem zei. Wantsommigen dachten, omdat Judas de beurs beheerde, dat Jezus tegen hem zei: Koop wat wij nodig hebben voor het feest, of dat hij iets aan de armen moest geven. Toen hij dan het stuk brood genomen had, ging hij meteen naar buiten. En het was nacht.” (Johannes 13:21-30)
En in Lukas 22 lezen we het vervolg op de verzen 1 en 2:
“Toen voer de satan in Judas, die de bijnaam Iskariot had, die bij het getal van de twaalf behoorde. En hij ging weg en sprak met de overpriesters en bevelhebbers van de tempelwacht hoe hij Hem aan hen zou overleveren. En zij verblijdden zich en kwamen overeen hem geld te geven. En hij stemde erin toe en zocht een geschikte gelegenheid om Hem, buiten de menigte om, aan hen over te leveren.” (verzen 3-6)
Maar Jezus had tijdens het avondmaal ook al een verhulde waarschuwing aan Judas afgegeven:
“Maar zie, de hand van wie Mij veraadt, is met Mij aan de tafel. En de Zoon des mensen gaat wel heen zoals het bepaald is, maar wee die mens door wie Hij verraden wordt.” (verzen 21-22)
Jezus wist vanaf het begin, wie Hem verraden zou en wist ook al wat het uiteindelijke lot van de verrader zou zijn. In Lukas 22:47-54 is het dan zover; tijdens Zijn gebed in de hof van Gethsemané wordt Jezus gearresteerd nadat Judas Hem verraden heeft met een kus; onderdeel van een begroeting in het oude Israël was, dat men elkaar begroette met een kus op de wang. Vervolgens werd Hij weggeleid, voor het Sanhedrin gebracht en wordt Hij voor de rechterstoel van de Romeinse gouverneur, Pontius Pilatus, door ttoedoen van de Joden aan hen overgeleverd. Nadat Jezus het kruis wat voor Hem gereedgemaakt was (met de hulp van Simon uit Cyrene) naar Golgotha (Schedelberg) had gedragen, wordt Hij er door de Romeinen aan genageld en sterft dan een kwellende dood.
Het Berouw van Judas.
Aanvankelijk zal Judas blij zijn geweest met de dertig zilverlingen die hij voor zijn verraad van Jezus had gekregen. Nu meende hij echter dat nu hij Jezus eenmaal aan de overpriesters en schriftgeleerden had overgeleverd, zij Hem waarschijnlijk alleen gevangen zouden laten zetten. Of dat zij Hem misschien uit het land wilden laten verwijderen. Hij had echter nooit gedacht dat zij zover zouden gaan om Hem ter dood te laten brengen; tijdens het overleg tussen Judas, de overpriesters en schriftgeleerden zullen zij hem niet hebben verteld dat zij Jezus het liefst dood wilden hebben; kortom, Judas werd er buiten gelaten bij wát deze religieuze leiders wérkelijk met Hem van plan waren! Hoe dit in zijn werk ging, lezen we in Mattheüs:
“Toen het ochtend geworden was, kwamen al de overpriesters en de oudsten van het volk met betrekking tot Jezus gezamelijk tot het besluit om Hem te doden. En zij boeiden Hem, leidden Hem weg en leverden Hem over aan Pontius Pilatus, de stadhouder. Toen Judas, die Hem verradeb had, zag dat Hij veroordeeld was, kreeg hij berouw en hij bracht de dertig zilveren penningen bij de overpriesters en de oudsten terug en zei: Ik heb gezondigd, want ik heb onschuldig bloed verraden! Maar zij zeiden: Wat gaat ons dat aan? U moet maar zien. En nadat hij de zilveren penningen de tempel in gegooid had, vertrok hij. Hij ging heen en hing zich op.” (Mattheüs 27:1-5)
Nadat Judas was heengegaan, raapten de overpriesters de zilverlingen op en vonden het niet juist dat die in de offerkist gedaan zouden worden; het was “bloedgeld” en daarom dan ook iniet als offergave geschikt. Na overleg werd besloten er de akker van een pottenbakker voor te kopen waar in die tijd de vreemdelingen na overlijden naar hun laatste rustplaats werden gebracht:
“Toen is vervuld wat gesproken is door de profeet Jeremia: En zij hebben de dertig zilveren penningen genomen, de waarde van de Geschatte, Die zij geschat hadden uit de Israëlieten, en zij hebben die gegeven voor de akker van de pottenbakker, zoals de Heere mij bevolen heeft.” (zie verzen 6-10)
Dood van Judas.
Judas was nadat hij gehoord had dat Jezus ter dood veroordeeld was, tot grote wanhoop vervallen en had nu veel berouw dat hij zelf had meegewerkt aan Zijn doodsvonnis. Nooit had hij kunnen geloven dat de religieuze leiders zóver zouden kunnen gaan dat zij pas dán tevreden zouden zijn, wanneer Jezus dood zou zijn. Maar hij zag nu dat zij dit wél konden en dit nu ook gedaan hadden. En nu liep hij met zware schuldgevoelens over zijn wandaad rond. En het meest vreselijke voor hem was toen hij naar de overpriesters gegaan en na zijn bekentennis onschuldig bloed verraden te hebben, de onverschillige en ijskoude houding van de religieuze leiders tegenover hem; zij hadden eindelijk bereikt wat zij wilden; Judas had nu eenmaal het geld voor zijn verraad ontvangen en wat Judas nu wél of níet dacht of vond, interesseerde hen totaal niet; zij hadden hun doel eindelijk bereikt en Judas kon het verder maar bekijken! Uiteindelijk werd hij er zo wanhopig onder dat hij zich van het leven beroofde door ophanging.
Niet te Wijzigen Voorbestemde Lotsbestemming?
De profetie die lang geleden over Judas uitgesproken was, vinden we in het boek, Zacharia:
“En ik heb tot hen gezegd: Indien het goed is in uw ogen, geeft mijn loon, maar indein niet, laat het. Toen wogen zij mijn loon af: dertig zilverstukken. Maar de HERE zeide tot mij: Werp dat de pottenbakker toe; een heerlijke prijs waarop Ik hunnerzijds geschat ben! En ik heb de dertig zilverstukken genomen en die in het huis des Heren de pottenbakker toegeworpen.” (Zacharia 11:11-13, NBG-vertaling)
Nadat Jezus uit de dood was opgestaan, Zijn discipelen Zijn laatste instructies had gegeven en vervolgens ten hemel gevaren was en twee engelen hen verteld hadden dat Jezus op dezelfde wijze terug zou keren als Hij heengegaan was (Handelingen 1:4-11), keerden zij terug naar Jeruzalem. Op de bovenverdieping van het gebouw waar zij verbleven, wachten zij met andere volgelingen op de komst van de Heilige Geest zoals door Jezus beloofd. In die tijd nam Petrus het woord:
“En in die dagen stond Petrus op te midden van de discipelen – er was namelijk een menigte bijeen van ongeveer honderdtwintig personen – en sprak: Mannenbroeders, dit Schriftwoord moest vervuld worden dat de Heilige Geest bij monde van David van tevoren gesproken heeft over Judas, die gids geweest is voor hen die Jezus gevangennamen; want hij werd bij ons gerekend en had aan deze bediening deel gekregen. Deze nu heeft met het loon van de ongerechtigheid een stuk grond verkregen, en nadat hij voorovergevallen was, barstte hij in het midden open en kwamen al zijn ingewanden naar buiten. En het is bekend geworden bij allen die in Jeruzalem wonen, zodat dat stuk grond in hun eigen taal Akeldama genoemd wordt, dat wil zeggen: bloedakker. Want er staat geschreven in het boek van de Psalmen: Laat zijn woonplaats woest worden en laat er niemand zijn die daarin woont. En: Laat een ander zijn ambt als opziener nemen.” (Handelingen 1:15-20)
Dan wordt er in de plaats van Judas een ander gekozen om het apostelambt wat hij eerst had, op zich te nemen. (verzen 21-26) De Psalm waar Petrus het aangaande Judas over had, is Psalm 41:10, (NBG-vertaling):
“Zelfs mijn vriend, op wie ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft zijn hiel tegen mij opgeheven.”
Uit de contekst van deze Psalm (verzen 2-14) blijkt dat het hier allereerst over Koning David gaat die zich in zijn tijd in grote moeilijkheden bevond; hij werd namelijk zwaar vervolgd en bespot. Maar het ene vers, (10) wees tevens op een toen nog verre toekomst op Jezus. En dat wat Petrus over het woest worden van de woonplaats van Judas aangaat, vinden we weer terug in Psalm 69:26. Maar daar lezen we dat het er om meer personen gaat; we lezen er ook over een “kamp’ en “tenten” gaat in plaats van “zijn woonplaats.” Ook hier gaat het allereerst over de grote moeilijkheden waarin David destijds verkeerde maar sommige verzen zijn eigenlijk profetieën die heenwijzen naar de toekomst en op Jezus van toepassing waren. En we zullen hierbij beginnen bij vers 22:
“Ja zij gaven mij gif tot spijze, en lieten mij in mijn dorst azijn drinken. Hun tafel worde voor hun aangezicht tot een strik , en hun genoten tot een val. Laten hun ogen verduisterd worden, zodat zij niet zien, doe hun lendenen bestendig wankelen; stort over hen uw gramschap uit, en de gloed van uw toorn achterhale hen. Hun kamp worde tot woestenij, in hun tenten zij geen bewoner. Want wie Gij hebt geslagen, vervolgen zij, zij doen verhalen over de smart der door U gewonden. Voeg schuld bij hun schuld, zodat zij niet komen tot uw rechtvaardiging. Laten zij uit het boek des levens worden uigedelgd, met de rechtvaardigen niet worden opgeschreven. Maar ik ben ellendig en in smart, uw heil, o God, bescherme mij.” (verzen 22-30, NBG-vertaling)
Hier zien we dat hoewel er zijn naam niet wordt genoemd, niet alleen om Judas zelf gaat; het lijkt hier niet om de verrader van Jezus te gaan maar om meerdere personen die David in zijn tijd vervolgden. Aangezien we hier lezen over “hun kamp” en “hun tenten”, en dat het hier alleen om de hier niet bij name genoemde Judas maar om meer mensen gaat, kunnen we hieruit concluderen, dat het hier om Judas en de Judeeërs gaat. Psalm 69 is eigenlijk dan ook een “messiaanse Psalm omdat er verschillende verzen zijn die zoals aangegeven, op de dan nog verre toekomst op Jezus betrekking hebben. Dat zij “mij gif tot spijze” gaven en dat zij “in mijn dorst azijn” lieten drinken, wijst natuurlijk op het moment dat men Jezus terwijl Die aan het kruis hing, “zure wijn” te drinken gaf:
“Ook de soldaten kwamen naderbij om Hem te bespotten en brachten Hem zure wijn te drinken, en zeiden: Indien Gij de Koning der Joden zijt, red dan Uzelf!” (Lukas 23″36-27, NBG-vertaling)
Dus was het eigenlijk niet slechts Judas die de kruisiging en dood van Jezus veroorzaakt had, maar tevens de Judeeërs (en door hun toedoen) de Romeinen.
Jezus: Koning over Israël of Koning der Judeeërs?
En hiermee komen we tot het volgende: nu we weten dat er overal waar we over “Jood” en “Joden” in onze moderne bijbelvertalingen lezen, er eigenlijk “Judeeër” en “Judeeërs” moet staan, wás Jezus dan wel Koning over geheel Israël? En eigenlijk wordt het antwoord hierop al gegeven: Jezus was tijdens Zijn bediening Koning over de Judeeërs maar geen Koning over geheel Israël! En dit verdient natuurlijk weer enige nadere uitleg: de Judeeërs (de stam van Juda) vormden in de dagen van Jezus eigenlijk de topklasse van de Israëlische samenleving. De leiders van deze klasse waren op hun beurt weer de overpriesters, Schriftgeleerden en Farizeeën. Het waren er dan ook de Judeeërs en haar genoemde religieuze leiders die er destijds het religieuze beleid voor de rest van de provincies in Israël bepaalden:
“Het woord Jood is afgeleid van Judeeërs die slechts een deel vormden van de Israëlieten. Deze term kan gebezigd worden vanaf de Babylonische ballingschap (ongeveer 600 v. Chr.). In joods-orthodoxe kringen wordt deze term met terugwerkende kracht geclaimd voor de Israëlieten van alle tijden. In het Nieuwe Testament lijkt de term Judeeërs vooral te duiden op de machtselite in Jeruzalem. Later is de term een naamgever van een godsdienst, die we in het Nederlands aanduiden met ‘het jodendom.’ In de 19e eeuw wordt deze term geclaimd door Theodoor Herzl en zijn volgelingen, de Zionisten. Deze beweging is daarentegen veeleer seculier dan godsdienstig.” https://donquijotte.files.wordpress.com/2014/12/jodengodendoorjansmelt.pdf (blz. 21, vetdruk toegevoegd)
Eigenlijk is het zo, dat Jezus de Koning van Juda was, maar ook de God van Israël. Als we dus spreken over de Koning der Joden. moet dit zoals we gezien hebben, zijn: Koning der Judeeërs.
Ton Nuiten – 5 Mei 2019.
Jezus zag Natanaël tot Zich komen en zeide van hem: Zie, waarlijk een Israëliet, in wie geen bedrog is! Natanaël zeide tot Hem: Vanwaar kent Gij mij? Jezus antwoordde en zeide tot hem: Eer Filippus u riep, zag Ik u onder de vijgeboom. Natanaël antwoordde Hem: Rabbi, Gij zijt de Zoon van God, Gij zijt de Koning van Israël!
Johannes 1:48-50 NBG51
https://bible.com/bible/328/jhn.1.48-50.NBG51
We mogen dus aannemen dat met het getuigenis van Natanaël, het ware Israël wordt bedoeld.
Als Paulus het later heeft in de brief van de Efeziërs over “het burgerrecht Israëls” , dan zie je ook gelijk de voorwaarde om daarbij te horen.
dat gij te dien tijde zonder Christus waart, uitgesloten van het burgerrecht Israëls en vreemd aan de verbonden der belofte, zonder hoop en zonder God in de wereld.
Efeziërs 2:12 NBG51
https://bible.com/bible/328/eph.2.12.NBG51
Zonder Christus geen burgerrecht Israëls. Joods/Judeeër of niet.
Dit Israël is dus een volk dat gelooft dat Jezus Christus de Zoon van God is.